De christelijke pastoraal in de multiculturele maatschappij 

Ik ben geen theoloog of een pastoraaldeskundige, maar een socioloog en het is vanuit deze insteek dat ik de zogenoemde « multiculturele maatschappij » wens te belichten. Dit zeg ik er even bij uit voorzorg, om te vermijden dat diegenen die praktische raadgevingen op het vlak van de pastorale werking zouden verwachten, ontgoocheld zouden zijn.

Daarenboven vind ik dat een socioloog geen actievoorstellen moet doen. Zijn rol bestaat erin te beschrijven wat de mensen dagelijks doen en wat dat voor hen kan betekenen. Of met andere woorden, beter begrijpen - binnen de sociale en culturele wereld waarin wij leven - wat de mensen doen of niet doen en waarom ze dat al dan niet doen. Pas in een tweede fase, duidelijk afgebakend van de eerste, zal ik mijn verantwoordelijkheden als geëngageerd intellectueel opnemen (maar ik ben een christen zonder Kerk!) en zeggen wat de huidige situatie in mij oproept.

In België en in Europa is de aanwezigheid van ‘overgeplante' populaties ten gevolge van de migrantenstromen pas tijdens de jongste decennia sterk toegenomen. Als we de specialisten mogen geloven dan zal noch het illegale karakter van de meeste van deze stromen, noch het oprichten van steeds toegespitster en vernuftiger controlesystemen aan de grenzen deze bewegingen kunnen droogleggen. Indien dit klopt, dan zullen de zaken in de komende decennia dus niet keren en, dan is het meer dan waarschijnlijk dat de migraties in de toekomst zullen toenemen in plaats van te verminderen. We moeten ze dus eigenlijk als een duurzaam gegeven van onze toekomst beschouwen. En ook van de Kerken.

In orde van grootte stemt dit fenomeen op wereldvlak officieel overeen met 200 miljoen immigranten (of 3% van de totale bevolking).

Binnen de Europese Unie telt men momenteel ongeveer 28 miljoen immigranten.
Maar de constante groei van dit gegeven is veelbetekenend: tijdens de 10 jongste jaren is het jaarlijkse migratieoverschot (dit is de totale instroom minus de totale uitstroom) meer dan verdrievoudigd en van 600.000 tot 1.850.000 personen gestegen. Onder de immigranten op het oude continent is 35% afkomstig uit onderontwikkelde landen die vaak voormalige kolonies van westerse landen zijn. Vooral dit laatste aspect verdient enige aandacht omdat het de eerste indicatie vormt in verband met het type van multiculturaliteit en multireligiositeit waarmee we te maken krijgen.

In België zijn er vandaag - wettelijk gezien - 900.000 immigranten.

Maar deze cijfers zijn eigenlijk misleidend. Het gaat immers om minimale cijfers, die lager liggen dan de reële cijfers omdat zij geen rekening houden met de vluchtelingen en de asielzoekers, de illegalen en allen die de nationaliteit van het nieuwe land verkregen hebben en zo uit de officiële statistieken verdwijnen.

Volgens de IOM, de Internationale Organisatie voor Migratie, zou het in Europa om meer dan 41 miljoen migranten (8% van de bevolking) gaan en niet om 28 miljoen. In België zou het officiële cijfer van 900.000 immigranten (ofwel 8,6%), de realiteit verdoezelen. Als je diegenen die direct uit de immigratie voortkomen ook in rekening brengt, dan kom je al gauw bij 2.100.000 individuen (20% van de bevolking). En dit cijfer houdt geen rekening met de asielzoekers die apart opgelijst zijn, noch met de illegalen waar per definitie geen cijfer op te plakken valt. Maar gezien de crux van de clandestiene immigratie, de politieke blokkade van het probleem en de symbolische draagwijdte die via hongerstakingen en bezettingen van kerken duidelijk wordt, kan de pastoraal  enkel stellen dat deze groep (tussen 50 en 150.000 personen waaronder veel niet-Europeanen) wel degelijk bestaat.

De indeling op basis van nationaliteit (zie de cijfers hieronder) geeft een idee van het multiculturele gegeven en de vermoedelijke diverse religies waarmee we te maken hebben. Belangrijk is te weten dat België één van de meest multiculturele landen binnen de Europese Unie is.

Tot slot, - en nog steeds in relatie met de weerslag hiervan op de pastoraal -, moet erop gewezen worden dat de geografische verdeling van de immigranten in België onevenredig is: ze vertegenwoordigen 28% van de bevolking van het Brussels Gewest (en ongeveer 50% van de geboorten), 10% van de bevolking van het Waals Gewest en slechts 5% van het Vlaams Gewest.

Op planetair niveau lijkt dit misschien weinig. Maar in de mate waarin de concentraties in sommige regio's op de wereldkaart en, meer bepaald op stedelijk niveau waargenomen worden, vertegenwoordigen ze sociaal een belangrijk impact. In het dagelijkse leven vertaalt zich dit in een toegenomen waarneming van de aanwezigheid van de immigranten van diverse herkomst en hun gezinnen. Dit is ongetwijfeld niet helemaal nieuw, maar het gaat wel gepaard met steeds toenemende moeilijkheden. Naast het bestaande onbegrip duiken nu ook nieuwe vormen op. Deze laatste komen voort uit culturele verschillen die zich hoe langer hoe duidelijker profileren. Vooraleer te onderzoeken in welke mate dit de pastoraal raakt, moet men eerst beter duiden hoe het migratiefenomeen in de hedendaagse wereld gegroeid is. Sommige nieuwe perspectieven van de huidige geschiedenis tekenen zich af en het vergt moed om deze werkelijkheid onder ogen te zien.

De aanwezigheid van immigranten in België, in Europa en in de wereld is eigenlijk slechts de afspiegeling op schaal, van «de toestand waarin de wereld zich bevindt». Deze heeft tijdens de jongste decennia andere vormen aangenomen en werd gekentekend door economisch onevenwicht, politieke instabiliteit en ecologische ontregeling. Vervolgens deden de politieke gevolgen van de dekolonisatie van de tweede helft van de 20e eeuw zich gevoelen, net als de ineenstorting van het Sovjetrijk. Voeg daar dan nog de attractiviteit van het leven in het Westen bij, die door de media bij hoog en laag aangeprezen wordt en de exponentiële groei van de vervoersmiddelen die relatief toegankelijk worden. Dit is ruim voldoende om grote populatiebewegingen teweeg te brengen; mannen, vrouwen en zelfs kinderen die op zoek gaan naar een beter lot, naar een betere toekomst. Beter op materieel vlak natuurlijk, dus economisch, maar ook beter op cultureel vlak (het moderne Westen, het rijk van de televisie, de bioscoop, de reclame, de consumptie en de seksualiteit). Op zoek naar een politieke en ook spirituele toekomst (vrijheid van denken, de ideologische en religieuze vervolgingen ontvluchten, de greep van de traditie achter zich laten).

In Europa zijn we geneigd deze migrantenstromen louter en alleen aan werk en aan de arbeidsmarkt te koppelen, net alsof de immigratie uitsluitend door een nood aan mankracht gedreven wordt. Deze visie is echter te kortzichtig en te eenzijdig en stemt nauwelijks overeen met wat de migraties tot dan ongetwijfeld waren en nog minder met wat ze in de huidige context geworden zijn. Een geglobaliseerde context die, en daar moet op gehamerd worden, niet enkel betrekking heeft op de grensoverschrijdende financiële bewegingen of het delokaliseren van bedrijven en arbeidskrachten. Werk blijft ongetwijfeld een belangrijke factor, maar de relatie tot het werk in de huidige context is veranderd en de mensen laten zich niet meer zoals vroeger tot louter « arbeidskracht » reduceren, tot mensen die door de overheersende economische theorie tot een simpele « productiefactor » teruggevoerd worden, tot mensen die zich slechts verplaatsen in functie van de eisen van de maatschappij en, die de economisten enkel in termen van markwaarde becijferen. We zien echter dat de globalisering, door haar symbolen van moderniteit en mobiliteit in alle domeinen uit te dragen, ertoe leidt dat mannen en vrouwen een ander beeld van de wereld krijgen en deze ook op een andere manier gaan bewonen. Zo slaan hele bevolkingen aan het migreren. Ze rapen hun boeltje bijeen en gaan zich elders vestigen, omdat zij gegronde redenen hebben om hun weinig benijdenswaardig lot, op economisch, politiek en spiritueel vlak, te ontvluchten.

Zo moet je de huidige migratiebewegingen benaderen vanuit pastoraal oogpunt. En niet in termen van « stromingen » en « stocks » van werkkrachten waar de technocraten van de OESO ons mee onderhouden. Als economen baseren zij zich op puur rationele redeneringen en ze reageren uiteindelijk verwonderd als ze op de multiculturele situatie stoten. Die ze trouwens enkel als « bijkomstig gegeven » benaderen, als iets dat goed moet worden « beheerd ». Alsof ze niet weten dat de populaties die door «de eisen van de markt» heen en weer geschoven worden, mensen zijn. Mensen van vlees en bloed, met eigen passies, met dromen, met een geloof en overtuigingen, met een eigen cultuur.

Op basis hiervan kan je stellen dat er nog maar net een nieuwe periode van grote migratiebewegingen aangebroken is. De migrantenstroom is, via de aspiraties die hij aan het licht brengt een levenswijze in onze wereld geworden. Eigenlijk is het een nieuwe grondige vermenging van volkeren die, met vallen en opstaan tot stand komt. Volgens sommige demografische draaiboeken, zouden er tegen 2050 ongeveer één miljard migranten de planeet doorkruisen!

Wat we nu zien is een diepe verandering van de basis zelf van waaruit zich het culturele karakter van ons leven aftekent. De migratiebewegingen - tenminste die migrantengroepen die met ernstige problemen te kampen zullen krijgen en die er ons bijgevolg ook zullen bezorgen - bestaan hoofdzakelijk uit mensen uit oud-kolonies, uit slachtoffers van nieuwe conflicten die uit deze periode stammen, asielzoekers of illegalen die in eerste instantie door de globalisering meegesleurd worden zonder er baat bij te vinden. De talrijke organisaties die met verschillende gradaties van menselijkheid proberen deze mensen op te vangen moeten dus in een ander licht gezien worden. Kijk je bijvoorbeeld naar de vluchtelingen, dan is het zo dat we hen, hun lot en de organisaties die zich om hen bekommerden lange tijd als een randgegeven hebben beschouwd. Dat was ook lange tijd zo toen het HCR zich om 50 tot 100.000 personen bekommerde vermits dit slechts een marginale fractie van de gemeenschap betrof. Vandaag ligt het echter anders. Het HCR wordt geconfronteerd met miljoenen vluchtelingen. Onze zienswijze is dus achterhaald en maakt ons blind voor de werkelijkheid. Onze perceptie maakt dat we niet zien dat de kampen voor vluchtelingen en asielzoekers, de mensenhandelmaffia, de « diensten vreemdelingenzaken» en andere ambtenarijen voor « niet-gegoede geëxpatrieerden », de hulporganisaties voor vluchtelingen, de commissariaten voor vluchtelingen en de filantropische bewegingen die soelaas voor hun lijden moeten brengen alsmaar toenemen en een belangrijk en constitutief onderdeel vormen van de politieke orde (of veeleer wanorde) die samen met de globalisering ontstaan is.

Daarnaast zien we een aantal plaatsen ontstaan (zou de term ‘geen-plaatsen' hier niet beter zijn?) waar deze populaties niet enkel in materieel precaire omstandigheden terechtkomen, maar waar de betrokken individuen ook verplicht zijn om een eigen identiteit in ballingschap te vinden, om een eigen sociale en culturele wereld te creëren, niet enkel doortrokken van lijden, maar ook van verzet en verleiding, van afhankelijkheid en sluwheid tegenover de « anderen ». Die anderen dat zijn wij, de zogenaamde «  rijken », de dominante ex-kolonialen.

Het sedentaire leven en het nomadenbestaan zijn blijkbaar van betekenis aan het veranderen. Er wordt gesproken over de opkomst van een zwerversbestaan, ontworteld, zonder regelmaat en heterogeen op cultureel vlak, wat vanzelfsprekend tot een groot aantal problemen leidt en waarbij een geslaagde ontmoeting tussen deze culturen onmogelijk lijkt. Dat is tot twee belangrijke redenen terug te voeren. Enerzijds, is er de beproeving van allen die, in een aaneenschakeling van verplichtingen, berekeningen en dromen, ver van hun land van oorsprong moeten leven. Anderzijds, zien we dat deze nieuwe sage van migraties door de openbare opinie in het aankomstland vaak aangevoeld wordt als de oorzaak van vrees voor invasie, onveiligheid en risico. Daarenboven merken wij allen heel goed dat de aanspraak op de idealen van universele beschaving, die ten tijde van de kolonisatie uitgedragen werden, zwaar beproefd en zelfs afgevoerd wordt. Een kolonisatie die voor de christenen vaak gekoppeld werd aan eerder preutse maar uitgekookte begrippen als « missie » en« kerstening ».

In zekere mate kan je ook stellen dat de situatie gekeerd is. Je kunt niet meer stellen dat wij, het Europa dat de beschaving uitdraagt en het Europa dat gaat kerstenen, ons naar de andere continenten begeven. Het zijn veeleer de bevolkingen van de andere werelddelen die, aangetrokken door de mythe van Europees geluk, talrijk naar Europa trekken om daar één van de belangrijkste bevolkingsbronnen te worden op het oude continent dat ten gevolge van de toenemende vergrijzing en zwakke bevolkingsgroei met nieuwe problemen te kampen heeft. Men zou over een « nieuw demografisch gegeven » kunnen spreken. In Europa groeit de bevolking niet meer door louter eigen demografische groei maar vooral door belangrijke externe bevolkingstoename. Daar komt nog bij dat de verderdewereldlijking van de migraties als permanente bron voor aanwas van de bevolking in Europa, een erfenis is uit het voormalige koloniale tijdperk. Dit is een van de belangrijkste aspecten van de postkoloniale geschiedenis van Europa. Daarom moeten we in de hedendaagse cultureel heterogene maatschappijen, zoals Arjun Appadurai, een Amerikaanse antropoloog van Indische oorsprong, zei, leren om de culturele gevolgen van de globalisering als « postkoloniaal » te beschouwen. Appadurai heeft het zelfs over de nieuwe geografie van de wereld, een « geografie van de woede », zoals hij zegt, die overeenstemt met het geweld ten tijde van de globalisering.

We moeten begrijpen hoe mensen met een grote gemeenschappelijke geschiedenis ondanks diverse en uiteenlopende talen, cultuur, gebruiken en religies éénzelfde grondgebied zullen kunnen delen. Deze situatie kan als weinig comfortabel en riskant afgedaan worden. Ze is desondanks niet te vermijden. Wij zijn gewoonweg niet bij machte om deze situatie, hoe onaangenaam ook, te laten verdwijnen.

We moeten nader ingaan op dit gespannen en conflictrijk aspect van de actuele pluriculturaliteit omdat sommigen, vooral uit de christelijke middens, zich maar al te vaak tevreden stellen met holle woorden. Vanuit deze immense maar naïeve goede wil, schermt men op idyllische wijze met « de ontmoeting der culturen». Dit is het resultaat van een praatziek humanisme dat, in de naam van een oproep tot dialoog, de multiculturaliteit als een wederzijdse verrijking beschouwt. Volgens de socioloog, moet men willen inzien dat in een open wereld het samenleven van verschillende culturele visies in de eerste plaats een bron van zorgwekkend onbegrip is omdat de onderlinge verenigbaarheid moeilijk zoniet vol impasses is.

Vandaag moeten we het hoofd bieden aan een onuitgegeven cultureel pluralisme, een caleidoscoop van mannen en vrouwen van diverse herkomst, komende uit Noord-Afrika of uit Sub-Sahara-Afrika, uit Azië, uit de Balkan en Turkije. Allen hebben diverse religieuze en culturele identiteiten. Het zijn precies deze mensen die de basisstructuur, het stramien, het onderliggende weefsel van het sociale leven hier aan het inkleuren en aan het opbouwen zijn. Hier is sprake van een onverwachte samenloop van voormalige kolonisators en gedekoloniseerden, van diverse religies, waaronder voornamelijk de islam. (Volgens officiële cijfers zijn er 12 tot 15 miljoen moslims in Europa, maar een prospectief demografisch verslag dat in de VS gepubliceerd werd, kondigt er tegen 2030 25 tot 40 miljoen aan). Dit mag niet over het hoofd gezien worden. Niet enkel omwille van de grote aantallen, maar ook omwille van het uitermate rijke symbolische erfgoed en omwille van de bijzondere geschiedkundige rol die deze religieuze traditie tegenover het « christelijke Europa » vervult.

De daaruit voortvloeiende moeilijkheden die nu of later opduiken worden natuurlijk gevoed door zowel de levend gehouden erfenis uit het verleden als het convulsieve heden van de islamwereld op de internationale scène. Een eerste pastorale indicatie voortvloeiend uit deze vaststelling: wil men de gemoederen in de huidige, multiculturele samenleving bedaren, dan is het gerechtvaardigd te verwachten dat de grote monotheïstische religies zich nederiger opstellen en zouden meten hoeveel kwaad door hun toedoen in het verleden aangericht werd.
En de beste manier om dit te doen is zeker niet als een intellectueel in je kamer te hokken, zoals paus Benedictus XVI hoe langer hoe meer doet. Hij dacht tijdens zijn conferentie te Regensburg de arena te kunnen betreden door te beginnen met tegen het relativisme te waarschuwen, wat suggereert dat in zijn ogen de rationaliteit van het katholieke dogma in tegenstelling tot de islam, haar tegen het religieuze geweld zou hebben beschermd.

Zowel door de diversiteit als door het aantal verplaatste mensen, bewerkstelligen de migraties een diepgaande vernieuwing van het gemeenschappelijke leven en definiëren ze populatiesegmenten die de modaliteiten moeten vinden van hun nieuwe « gemeenschappelijke wereld ». Hun verleden heeft hen daar echter niet op voorbereid. Dit verleden brengt dus scheuren teweeg in dit sociale weefsel via de verschillende wijze waarop relaties tegenover de andere, de buitenwereld en de geschiedenis tot stand komen. Wil je de moeilijkheden van de multiculturele maatschappij kenschetsen, dan zou je kunnen zeggen dat deze samengaan met het einde van het monoculturalisme. De nieuwe bronnen van de Europese bevolking gaan in dezelfde richting. Zij maken immers komaf met de concordantie van de overtuigingen die het gedrag binnen éénzelfde grondgebied regelde. Zo kan men de culturele moeilijkheden van de nieuwe immigranten, maar ook de culturele moeilijkheden van vele Europeanen begrijpen, die geconfronteerd worden met deze nieuwelingen, die ze niet of nauwelijks kennen en die gebruiken, overtuigingen en soms gedragingen hebben die hen angst inboezemen. Een dergelijke nabijheid is trouwens voor niemand vanzelfsprekend. Niet omdat de anderen noodzakelijkerwijze tot vijandige gevoelens, rassenhaat of minachting stemmen. Wel omdat deze nabijheid de stabiliteit van de bakens in het gedrang brengt en het veilige gevoel dat voortkomt uit de continuïteit van de dingen en personen waarmee men eenzelfde ruimte deelt.

In dit opzicht kan men over een algemene « situatie van culturele onveiligheid » spreken. Omdat veiligheid zich niet tot de fysische integriteit van individuen beperkt. Veiligheid heeft ook betrekking op dat wat we, op basis van het dagelijkse leven en vanuit historisch overgeleverde denkwijzen als al dan niet aanvaardbaar beschouwen. De culturele mix betekent een wijziging die te voelen is in de traditionele schema's van de taal, van het gedrag en van al wat we beschaving noemen. Bij dit onzekerheidsgevoel van de immigratie komen nog de eigen interne culturele evoluties van de Europese maatschappijen. De zogenaamde « modernisering» veroorzaakt een breuk ten opzichte van de eigen tradities. De culturele wijziging die door de migraties wordt veroorzaakt duikt eigenlijk op in een maatschappij die zelf al door culturele spanningen doorkruist wordt.

We moeten even blijven stilstaan bij dit laatste aspect van onze situatie. Onze cultuur wordt momenteel door de moderne logica van het individualisme en het consumentisme gekneed en herkneed. Onze cultuur ondergaat daarenboven de mondialisering via de alles bepalende invloed van de media (waaronder televisie en internet de meest intense vectoren zijn). Deze cultuur moet vanaf nu als een « wereld-cultuur » worden gezien, als de vorm van de cultuur die de hypermoderniteit van de geglobaliseerde maatschappij begeleidt. De individuen vinden  er informatie en beelden, waarmee ze zich kunnen identificeren en een onderscheiden bestaan opbouwen. Een verscheidenheid aan religieuze symbolen ook zodat ze hun eigen leven op maat kunnen opbouwen. Men moet zich rekenschap geven van de hoeveelheid culturele en religieuze boodschappen en symbolen die men op het net vindt. De meest diverse spirituele engagementen, (grote of kleine) religies, alles wordt via internet en op voet van gelijkheid aangeboden. Eigenlijk bestaat er een echt «onlinegevecht», een spirituele overconcurrentie, een vijandigheid of oorlog tussen religieuze groepen onderling. Dit is net een hefboom die de mensen uit de culturele grenzen van hun grondgebied haalt. Er bestaat een dynamiek van pluralisme, van heterogeniteit en van subjectivisme omdat de lokale wereld nu aan de globale wereld gelinkt wordt. Eigenlijk kan men stellen dat de wereld-cultuur van de hypermoderniteit ook, maar dan op ultragrote schaal, leidt tot desorganisatie van het bewustzijn, van de levenswijze. De hypermoderne en gemediatiseerde wereld is structureel en chronisch gedesoriënteerd, ontwricht, labiel en onzeker. Sommigen voelen zich geroepen tot een nieuwe spirituele zoektocht met al dan niet exotische of meer onderbouwde inslag. Anderen worden dan weer in een spiraal van gevorderd scepticisme of ongeloof mee gesleurd. Hier kunnen de Kerken zich niet meer opstellen als echte « gezagsinstellingen » die het geloof zouden kunnen regelen of opleggen via gemeenschappelijke praktijken. Er gaan stemmen op die beweren dat het juist deze nieuwe vorm van verwarring is die aan de oorsprong ligt van wat men de « terugkeer naar het geloof» noemt. Misschien is dat ook zo. Maar over welk geloof gaat het? In elk geval bevinden we ons voor een « grote planetaire verandering» van de referentiebronnen van de cultuur en van de spiritualiteiten. En deze grote transformatie gaat gepaard met een verdwijnen van territoria die in het verleden steeds de zetel van regelgevende tradities geweest zijn. Zo denk ik, bijvoorbeeld, dat men er verkeerd aan doet het religieuze neo-fundamentalisme of de fundamentalistische tak van het katholicisme, waar de huidige paus weer naar neigt, als voorbeelden aan te halen van personen die in de stabiele elementen van de religie geloven. Je zou hen evengoed kunnen beschouwen als mensen die, zeer individualistisch en, in deze zin dus veel moderner dan ze denken, kiezen om hun godsdienstige overtuiging op ultraorthodoxe wijze en, in een context die niet gepast lijkt, op zeer persoonlijke wijze terug in te palmen. Hoewel ze er niet voor terugschrikken de stap naar een schisma te zetten, betekent dit niet dat ze opnieuw een autoritaire en hiërarchische godsdienst waaraan je je moet onderwerpen, in ere hersteld willen zien. Ze zoeken een gevestigde godsdienst in een gestabiliseerde modus die aan hun individuele behoefte beantwoordt.

Men kan bijgevolg zeggen dat de multiculturaliteit een bron van relativisme is, ook in het godsdienstige domein.
Dit relativisme heeft echter de spirituele dimensie van het bestaan niet platgewalst. Secularisering betekent niet dat het godsdienstige verdwenen is. Het gaat om haar transformatie, haar wedersamenstelling. Ze mobiliseert, via een niet geïnstitutionaliseerde manier de stichtende teksten van de grote sacrale tradities die, tot op heden, onder het toezicht van de kerkelijke orthodoxie vielen.

Dit lijkt des te juister omdat het relatieve engagement dat de drie grote monotheïstische godsdiensten tot op heden ten gunste van de waarden van de moderniteit aan de dag gelegd hebben, een groot aantal medeburgers ervan overtuigd heeft dat de gevestigde godsdiensten wel hoogmoedig waren om zich als erkende houders van de grote menselijke waarden of als monopoliehouders van de ultieme waarheid uit te geven. Onze tijdgenoten denken nu dat men zich heel goed kan inzetten voor belangrijke morele doelen, zoals zorg voor anderen, gerechtigheid of bescherming van de planeet, zonder het gewicht van de dogma's die de monotheïstische religies de mensen proberen aan te praten. Hoe langer hoe meer hoog opgeleide gelovigen, die geacht worden dit intellectueel te kunnen inschatten, delen trouwens deze mening.

« De prijs van het monotheïsme », een recente publicatie van de grote Duitse Egyptoloog Jan Assmann, gaat in dezelfde richting. In dit werk komt duidelijk naar voren dat in het oude judaïsme, op het historische moment dat Mozes van het polytheïsme naar het Bijbelse monotheïsme overstapte, men ook overhelde naar steeds dogmatischer religies, die een soort van "eenheidsdenken" prediken. Dit wil zeggen religies die afstappen van een mogelijke pluralistische gedachte binnen eenzelfde godsdienst. Religies die eigenlijk intellectueel slecht voorbereid zijn om te vermelden dat er binnen multiculturele samenlevingen een conflictueuze pluraliteit van rivaliserende monotheïsmen bestaat.
Assmann, die eerder met de christelijke traditie sympathiseert, moet uiteindelijk bevestigen dat wat we vandaag al weten dankzij de geschiedenis van de monotheïstische religies ons doet zeggen dat geen enkel monotheïsme mag stellen dat ze de absolute waarheid in pacht houdt, maar enkel relatieve waarheden. Dit betekent waarheden die "nuttig zijn voor het bestaan", maar die steeds opnieuw moeten worden onderhandeld. Volgens hem eisen de dogmatische monotheïsmen een te hoge tol. Dit moet aan een nieuwe reflectie onderworpen worden.

Peter Sloterdijk, een referentie op het gebied van de huidige Duitse filosofie, stelt zich veel strikter op. Hij durft onomwonden te stellen dat in ons tijdperk de conflicten tussen de monotheïstische religies uiterst zorgwekkend zijn. In « La folie de Dieu », onderzoekt hij de psychologische, politieke en sociale condities ten tijde van het ontstaan van de drie monotheïsmen; vervolgens analyseert hij de excessieve rol van hun dogmatische aanmatigingen in de geschiedenis. Hijzelf is geen sympathisant van deze overtuigingen. En hoewel hij de terugkeer tot de polytheïsmen, die in veel opzichten veel toleranter waren, zeker niet aanbeveelt en hij moet toegeven dat er wel degelijk een symbolische dimensie aan het menselijke bestaan gekoppeld is, toch schrikt hij er niet voor terug te stellen dat het concept van de religie vandaag een nefast concept geworden is. In het tijdperk van de globalisering, zegt hij, worden de drie monotheïsmen opgeroepen om zo snel mogelijk een « trialoog » te voeren en, naar wat hij noemt een « civilisationeel cosmotheïsme » te evolueren.

Dergelijke uitlatingen zijn vanuit een extreem religieuze traditie, zoals het rooms-katholicisme, vast en zeker onaanvaardbaar. Maar men moet de moed opbrengen om naar deze stemmen te luisteren, die de ervaringen en de moeilijkheden van velen in de hedendaagse multiculturele maatschappijen weerspiegelen. En eens temeer, begrijpt men vanuit pastorale hoek moeilijk waarom in 1997 de huidige roomse paus, uit naam van de waarschuwing tegen het relativisme, een theoloog zoals de Belgische jezuïet Jacques Dupuis (groot deskundige op het vlak van de Indische godsdiensten) onherstelbaar veroordeelt bij de publicatie van zijn werk « Vers une théologie chrétienne du pluralisme religieux ». Kardinaal Ratzinger, op dat ogenblik prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, kwam als een bijziende verdediger van de echte theologische uitdagingen van zijn Kerk uit de hoek. Dacht hij zo zijn Kerk uit de storm van het intellectuele relativisme te kunnen houden? Ware het niet beter geweest authentieke steun te geven aan mensen van goede wil die vandaag het best de impasses van de multiculturele maatschappijen kennen? De valstrikken van het relativisme vormen een hedendaags probleem en er moet een oplossing voor worden gevonden. Maar niet via oekazen die deuren sluiten in plaats van ze te openen.        

Het is dus exact dat door bijdragen van buitenaf en door intra-Europese culturele processen, de cultuur van de hypermoderne beschavingen moeilijkheden veroorzaakt, zelfs schrik inboezemt of in de war brengt omdat ze grote mythen en utopieën ondergraaft die tot dan emotionele zekerheid en betekenis boden. Maar hoe kan de pastoraal er nu voor zorgen dat we deze situatie doorkomen? Hoe kan ze hoop voor de toekomst bieden? Welke actie kan ze voorstellen opdat mens en maatschappij zich niet zouden terugplooien op zichzelf maar zich zouden ontplooien?

Eén van de basiswaarden die moet worden aangemoedigd is tolerantie. Nog belangrijker is dat men moet leren aanvaarden dat de gevoeligheden tussen de religies onderling en zelfs binnen eenzelfde religie verschillen. Daarnaast is er dan ook nog de solidariteit met diegenen die het minst gewapend zijn tegen deze kwesties en met allen die stem aan de ‘stemlozen' kunnen geven.  
Maar zelfs hier laat de pastoraal zich vandaag onbetuigd. De Kerken geven blijk van bijzonder weinig zelfvertrouwen, ze twijfelen zelfs zo erg aan hun eigen toekomst dat ze door quïetisme, door een vreemde futloosheid getroffen lijken. In tegenstelling tot wat ze beweren, hebben ze er moeite mee om het pluralisme als een Europees gemeengoed te beschouwen. De toekomst van de Europese samenleving nu eist een echt en reëel pluralisme, dat begrepen moet worden als het respect voor meervoudige entiteiten en dat onbevangen open staat voor dialoog. Daartoe moet de "christelijke vrijheid" echt tot haar recht kunnen komen, wat moeilijk is. Toch vormt dit de essentiële voorwaarde opdat de Kerk tot Kerk kan worden. Wat op zijn beurt enkel mogelijk is als de Kerk zich geen zorgen meer maakt over haar overleving tegenover de dreiging van de secularisatie en van het individualisme. Dit vereist een echte aanvaarding van een geseculariseerde openbare ruimte, zonder enige poging tot herstel van de hegemonie van het vroegere christendom. En de bewustwording dat wat zij als haar missie aanziet, minder te maken heeft met het behoud van rites en dode of uitstervende praktijken, dan met de participatie aan een onontbeerlijk gemeenschappelijk cultureel werk.
Indien het christendom echt « een Kerk voor de anderen » wil zijn en niet een Kerk voor zichzelf, dan dringt zich volgens mij één as heel duidelijk op bij het hedendaagse christendom in België en Europa: de betekenis van de term ‘missie' moet opnieuw besproken worden. Dit woord-programma mag niet meer verwijzen naar een zogenaamde « nieuwe evangelisatie», naar een manier van doen die gericht is op de extensieve verspreiding van het christendom. Het gaat erom zorg te dragen voor de anderen, zonder enig achterliggend idee van proselitisme.

De internationalisering van het collectieve leven en de ontmoeting met culturen en diverse religies confronteert het christendom met nieuwe doctrinaire kwesties zoals het religieuze pluralisme, waarvan de uitdagingen doen denken aan de controverses van het tijdperk van de Hervorming. Vroeger werden deze controverses op autoritaire wijze door het pausdom de kop ingedrukt. In de huidige situatie is een dergelijke aanpak gewoonweg uitgesloten. De historische verzwakking van het christendom zou dit trouwens niet meer toelaten. In Rome kan men weliswaar aan deze illusies blijven vasthouden en de autoriteit op deze wijze blijven uitoefenen. Maar dat leidt tot niets. De ervaringen in het verleden geven aan, volgens Hans Küng, waartoe dit model het christendom doorheen de geschiedenis geleid heeft: zijn romanisering ten nadele van zijn katholiciteit via de centralisering, zijn juridisering, soms zelfs zijn militarisering en zeker zijn klerikalisering die vandaag aan het uitsterven is.

In dat opzicht kan men slecht met enige twijfel kijken naar de repetitieve reizen van de paus doorheen de wereld, omdat ze een centraal gegeven lijken te zijn van het « nieuwe missionaire apparaat » naar Vaticaans. Deze reizen versterken, symbolisch gezien, de centrale positie van Rome alsook de katholieke identiteit met de paus als spilfiguur. Dit op het ogenblik dat de begeleidingscapaciteit van de clerus en de lokale hiërarchieën in een groot aantal landen uit elkaar spat. De missionaire strategie van de pausgebonden centralisering is, mijn inziens, niet bij machte om het « geloof zonder toebehoren », zoals de Engelse sociologe Grace Davie dit noemt, halt toe te roepen. Deze getuigt van het oplossen van het geloof en van de emancipatie van individuen ten opzichte van de voogdij van de religieuze instellingen. Vandaag lijkt het trouwens vaak alsof niet God, maar de Kerk centraal staat.

De actuele situatie maant tot bescheidenheid. Op de achtergrond horen we wat de Franse jezuïet Michel de Certeau al van bij het begin van de jaren 70 voorspelde: het is een illusie of het getuigt van lichtgelovigheid als men de missionering of de evangelisatie blijft voorstellen als de progressieve maar totale opslorping van de maatschappij door de Kerk. Het christendom is een beperkt fenomeen en volgens de huidige trend lijkt het weinig waarschijnlijk dat daar verandering in zou komen. We stellen zelfs een progressieve vermindering vast. Zou de religieuze hiërarchie zich niet moeten buigen over de theologische betekenis van deze realiteit? Het christendom, aldus de Certeau, vertrekt vanuit de erkenning van een mensgeworden God, een welbepaald en gesitueerd individu, Jezus, die zoals elk andere mens zijn grenzen ervaren heeft en, dit tot het uiterste, tot de dood, toe. Zou dat niet aangeven dat het absolute van het christelijke geen universele of alomvattende waarheid is en, dat dit onlosmakelijk met een limiet verbonden is? Het christendom kan dus niet meer, in tegenstelling tot vroeger, beweren alleen de hele geschiedenis voor zijn rekening te mogen nemen en als enige de waarheid daarover te verkondigen. Naast het christendom bestaan er nog andere religieuze tradities en het christendom moet gezien worden als een bijzondere traditie binnen de culturele en religieuze geschiedenis van de mensheid. Het christendom kan dus niet meer doen alsof het alleen in naam van de hele wereld kan spreken.

Dus, geen zending meer voor het christendom? Jawel, als bewerker van een echt geseculariseerde openbare ruimte, dit wil zeggen een ruimte waar de dialoog tussen de diverse wereldvisies mogelijk is.
En op deze wijze zou het investeren in een zending ten dienste van allen en niet enkel ten dienste van zichzelf. Het christendom heeft zich aan te dienen binnen een geseculariseerde wereld, die als dusdanig erkend wordt, met al zijn culturele spanningen en aarzelingen.
In deze lijn, met het recht (maar niet meer dan anderen) om zijn standpunt bekend te maken, zal het met zijn eigen woorden spreken, maar niet als iemand die beweert het beter te weten dan een ander.

Dit woord, maar ook de gebaren en de acties van het christendom voor de multiculturele wereld zullen bijdragen tot een herstel van vertrouwen tussen mensen van diverse herkomst.
Het vertrouwen herstellen betekent tegelijkertijd de vrees en de angst voor de ander overstijgen. Dit geldt als een essentiële taak in een multiculturele wereld waarbinnen het totale sociale weefsel opnieuw moet worden geweven. Wij bevinden ons in een versnipperde wereld die opnieuw moet worden opgebouwd. Vertrouwen fungeert als een essentieel smeermiddel in de collectieve relaties. Je zou kunnen zeggen dat het als een onzichtbare sociale instelling fungeert die verder reikt dan het register van kennis en weten. Het is ook een beetje een sprong in het onbekende, een soort van weddenschap waarbij men niet op voorhand weet of men ooit voor het  vertrouwen dat men « gegeven» heeft, iets terug zal krijgen. Het is bijna in termen van geloof dat men de aanpak van het vertrouwen moet definiëren.

Het vertrouwen dat moet worden hersteld tussen de zo verschillende leden van de multiculturele samenleving krijgt, bij diegenen die er energie willen in investeren, iets van een morele of zelfs religieuze waarde. Dit is eigen aan alle vormen van verbintenis waarbij men aanvaardt om " te vertrouwen op", te "rekenen op", "af te hangen van". Er is een risico mee verbonden, maar het is enkel op die manier dat het bewust gekozen vertrouwen de sociale relaties kan veranderen. Het hangt af van de interventie van diegenen die weten dat, in de multiculturele samenleving, de vraag van gedeelde betrouwbaarheid, opnieuw opduikt. Het hangt dus af van diegenen die in staat zijn dit risico te nemen omdat ze er de noodzaak van aanvoelen.

Het christendom kan geen enkel monopolie in dit domein opeisen omdat het door de geschiedenis heen evenveel tot vertrouwen als tot wantrouwen bijgedragen heeft. Men mag echter hopen dat, in de mate waarin de evangelische traditie vanuit zijn onveranderlijke basis, steeds belang is blijven hechten aan de opvang en aan het respect voor de naaste, er nog voldoende mensen zijn die deze traditie in leven willen houden en gevoelig blijven voor de nieuwe eisen van het hedendaagse Europa. Enkel onder deze voorwaarde kan het woord « zending » een andere betekenis krijgen dan deze van "verovering" wat onaanvaardbaar geworden is.

Enkele cijfers over de migraties in de wereld, in Europa en in België (2007)

In de officiële definitie van een immigrant staat dat dit een persoon is die minstens een jaar op regelmatige basis in een ander dan zijn geboorteland verblijft.

Internationaal

Er zijn ongeveer 200 miljoen immigranten in de wereld, waarvan 35% staatsburgers afkomstig uit onderontwikkelde landen en vaak uit voormalige koloniën van westerse landen.

Europa

Op een totale bevolking van 495 miljoen, zijn er ongeveer 28 miljoen reguliere immigranten (minimumaantal) in de Europese Unie (EU27) en waarschijnlijk 43 miljoen (met inbegrip van de clandestiene en de onwettige alsook de asielaanvragers). Ze vertegenwoordigen dus tussen 5,6 en 8,6% van de bevolking.

Het jaarlijkse migratiesaldo in Europa (totaal instroom minus totaal uitstroom) is de jongste 10 jaar verdrievoudigd, wat een stijging van 0,6 naar 1,85 miljoen personen betekent. Dit is beduidend meer dan het migratieoverschot van de Verenigde Staten dat momenteel ongeveer 1 miljoen bedraagt.

België

Op een totale bevolking van 10,5 miljoen inwoners zijn er volgens de officiële cijfers 0,9 miljoen rechtsgeldige immigranten, ofwel 8,6%.

Deze bodemcijfers geven een vertekend en ondergewaardeerd beeld van de reële migrantenstroom in België. Daarvoor bestaan talrijke redenen.

Enerzijds omwille van het grote deel van de bevolking van vreemde oorsprong die de jongste 20 jaar de Belgische nationaliteit automatisch verkregen of aangenomen hebben. (Tussen 1985 en 2005 werden op deze manier ongeveer 640.000 personen van vreemde oorsprong uit de statistieken gehaald).

Anderzijds is er ook sprake van onderwaardering omdat de asielaanvragers op aparte wachtlijsten staan (sinds 2001 spreekt men van 12.000 tot 16.000 aanvragen per jaar). 15% onder hen wordt na lange jaren uiteindelijk geregulariseerd. Wat met de anderen, de afgewezenen, gebeurt is moeilijk te achterhalen. Sommigen worden uitgewezen en verlaten het Belgische grondgebied. Velen komen ongetwijfeld in een derde niet te verwaarlozen en moeilijk te becijferen groep van immigranten terecht, de « clandestienen ». Deze groep is nauwelijks te becijferen en momenteel schommelt het tussen 50 tot 150.000 personen (waaronder veel niet-Europeanen).

Op basis hiervan komt men tot volgende ramingen:

In 2007 registreerde men 725.000 Belgen maar als buitenlander geboren. In ons land bevonden zich dus 1.625.000 immigranten in de brede zin van het woord, ofwel 15,5% van de bevolking. In het licht van een reflectie over de multiculturele samenleving, zie je onder hen:

886.000 Europeanen (EU27) waaronder:   277.000 Italianen

                                                                             55.000 Duitsers

                                                                             32.000 Engelsen

                                                                             56.000 Spanjaarden

                                                                             32.000 Portugezen

                                                                             24.000 Grieken

                                                                             41.000 Polen

                                                                             13.000 Roemenen

                                                                               7.000 Hongaren

                                                                               5 .000 Bulgaren

 205.000 andere Europeanen waaronder:   142.000 Turken

                                                                               36.000 Joegoslaven (en ex)

                                                                               17.000 Russen (en ex)

377.000 Afrikanen waaronder:                        250.000 Marokkanen

                                                                               41.000 Congolezen

                                                                               20.000 Algerijnen

                                                                               12.000 Tunesiërs

                                                                                 9.000 Rwandezen

                                                                                 5.000 Ghanezen

                                                                                 5.000 Kameroenezen

98.000 Aziaten waaronder:                               12.000 Indiërs

                                                                                12.000 Chinezen

                                                                                7.000 Vietnamezen

                                                                                7.000 Filipijnen

                                                                                7.000 Pakistanezen

                                                                                6.000 Iraniërs

                                                                                5.000 Thaïlandezen

17.000 Noord-Amerikanen

26.000 Latijns-Amerikanen waaronder:          5.000 Brazilianen

                                                                                 4.000 Chilenen

2.000 staatslozen

14.000 onbepaalde nationaliteiten

In dit cijfer van 1.625.000 zitten echter niet alle personen komende uit de immigratie, dit wil zeggen met minstens een immigrantouder. De demografen hebben het over ongeveer 477.000 personen voor deze laatste groep. Er zouden bijgevolg 2.102.000 personen voortkomend uit de immigratie (als buitenlander geboren of met minstens een ouder die als buitenlander geboren is) in België verblijven. Dit is 20% van de ingezeten populatie.
Daarbij komt dat de immigranten niet uniform over het land verspreid zijn, wat een belangrijke nuance voor de culturele impact van hun aanwezigheid met zich meebrengt. Ze bevinden zich vooral in stedelijke gebieden. Er zijn 28,5% immigranten in het Brusselse Gewest, 10% in het Waalse Gewest en 5% in het Vlaamse Gewest. De grootste concentraties bevinden zich in Brussel, in het voormalige Waalse industriegebied tussen Luik en Charleroi, in Antwerpen en in de driehoek Brussel, Gent en Antwerpen alsook in de industriesteden van de provincie Limburg.