Inleiding Kristien Nys

Forum 4 oktober 2008 – Opvoedingsondersteunend werken met maatschappelijk kwetsbare gezinnen
Gewoon… of toch niet…?
Kristien Nys, Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen          

Een aantal jaren geleden startten we vanuit het Centrum voor Gezinspedagogiek met een onderzoeksproject rond het werken met maatschappelijk kwetsbare gezinnen. Vanuit de praktijkorganisatie vzw De Keerkring, een centrum voor opvoedingsondersteuning in Sint-Niklaas, zetten we een evaluatieonderzoek op van hun groepsgewijs aanbod mét maatschappelijk kwetsbare gezinnen. Tijdens deze uiteenzetting zal duidelijk worden waarom we uitdrukkelijk spreken over een aanbod mét en niet over een aanbod voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen. Ik geef ook inzichten en aandachtspunten mee die ingaan op de vraag of kwetsbare gezinnen wel zo anders zijn dan ‘modale of middenklassse’gezinnen of dat zij toch ook heel wat gemeenschappelijke punten hebben.

Bij opvoedingsondersteuning of bij het uitwerken van een informeel, dan wel een meer georganiseerd of gestructureerd aanbod van opvoedingsondersteuning, stelt zich eerst de vraag wat men onder opvoeding of opvoeden verstaat. Volgens Bernard De Wulf (De Morgen) lijkt het voor sommige gedragswetenschappers vrij evident te zijn. ‘Wees een gezag- en liefhebbende ouder en simsalabim en u zal komen tot een gelukkig kind of de ontwikkelingskansen van uw kind zullen zo groot als mogelijk zijn.’

Uit onderzoek blijkt dat voor het merendeel van de gezinnen de opvoeding in een positief klimaat verloopt, dat het met het merendeel van de kinderen echt wel goed gaat. Kinderen en jongeren geven zelf te kennen dat ze best tevreden zijn over de wijze waarop zij thuis opgevoed worden. Maar dit alles neemt niet weg dat er altijd aandachtspunten blijven, dat er soms moeilijkheden of problemen zijn. Bovendien hebben mensen, al dan niet zelf ouder zijnde, bij moeilijkheden of opvoedingssituaties die zij als ‘anders’ ervaren, soms snel een oordeel klaar of het idee het zelf beter of anders te doen. Dit heeft veelal te maken met het perspectief van waaruit deze situaties bekeken worden. In opvoedingsondersteuning is het belangrijk om als ondersteuner net te proberen om zich in het perspectief van de andere (bv. de ouder, het kind, de partner enz.) te plaatsen.

Belangrijk daarbij is te weten dat perfect ouderschap een onmogelijke opdracht is. Wel kunnen aandachtspunten meegeven worden of met ouders op zoek gaan naar mogelijkheden opdat het opvoeden of het ouderschap zo goed mogelijk verloopt. Wat zijn belangrijke elementen die daartoe bijdragen? Veel hangt samen met de sfeer, het klimaat dat in gezinnen aanwezig is. Naarmate dat gezinnen erin slagen om een positief klimaat te scheppen, zal dit de ontwikkeling van de kinderen, het functioneren van zowel de kinderen als de ouders ten goede komen (zie bv. Triple P-programma: positief opvoeden). Een ander element is hoe ouders in hun dagelijkse omgang met de kinderen meer concreet vorm geven aan de opvoedingsrelatie. Jo Voets bijvoorbeeld, verwijst naar drie belangrijke componenten. Een eerste belangrijke component is ‘sturen’, wat staat voor grenzen afbakenen, monitoring of opvolgen, weten waar de kinderen mee bezig zijn, weten waar ze naar toe gaan. Een tweede belangrijke component is ‘steun geven’. Dit zegt iets over het inlevingsvermogen van de ouders, het zich in de plaats stellen van het kind, komen tot positieve en sensitieve reacties op de kinderen. Een laatste element is ‘stimuleren’ of er als ouder voor zorgen dat kinderen de plaats en de nodige ruimte krijgen om nieuwe dingen te ontdekken, om hun eigen weg te gaan. Als ouders kinderen willen opvoeden tot volwaardige verantwoordelijke volwassenen, dan moeten ze binnen hun gezin en de nabije omgeving reeds de kans krijgen om te oefenen of te experimenteren.

Hoe ouders dagelijks met de kinderen omgaan, staat onder invloed van heel wat factoren (bv. persoonlijk functioneren, kindkenmerken enz.), ook van factoren buiten het gezin. Het gezin en de opvoeding staan niet los van de sociale, maatschappelijke context. Denk bijvoorbeeld aan de buurt waarin kinderen opgroeien, gezinnen wonen, de school van de kinderen, het al dan niet op zeer jonge leeftijd in contact kunnen komen met leeftijdsgenoten, al dan niet gebruik maken van kinderopvang, beschikbaarheid en laagdrempeligheid van sociale diensten en voorzieningen enz.

De vraag stelt zich of de voorgaande inzichten ‘volstaan’ als een opvoedingsondersteunend initiatief met maatschappelijk kwetsbare gezinnen wil werken?

De betrokkenen moeten zich in eerste instantie bewust zijn van de vele moeilijkheden waarmee deze gezinnen geconfronteerd worden en van het feit dat deze moeilijkheden niet los van mekaar staan. Minder kansen of minder toegang tot bijvoorbeeld de gezondheidszorg – de CM heeft uitgebracht dat bij het gebruik van gezondheidszorg de kloof tussen maatschappelijk kwetsbare gezinnen t.o.v. middenklasse of hogere klasse gezinnen enorm groot is, veel groter dan verwacht – heeft ook te maken met de beperkte mobiliteit, de beperkte informatie (cf. onvoldoende toegankelijk, raadpleegbaar, te complex geformuleerde informatieboodschappen), de beperktheid van hun sociale netwerk, dat voor sommigen zo goed als onbestaande is en/of weinig standvastig.

Uit recent onderzoek blijkt dat er inderdaad grote verschillen zijn tussen laaggeschoolden en hooggeschoolden inzake bijvoorbeeld het gebruik van basis- en gezondheidsvoorzieningen, (bv. tandartsbezoek). Hetzelfde geldt voor de deelname aan het verenigingsleven en de mobiliteit. Het volstaat m.a.w. niet om te wachten tot gezinnen zelf bij een dienst of voorziening aankloppen. Belangrijk is de wijze waarop voorzieningen of organisaties maatschappelijk kwetsbare gezinnen tegemoet treden.

Zoals Johan Govaerts al zei, gaat een moeder zelf op zoek naar informatie. Dit brengt ons bij een belangrijke opdracht van opvoedingsondersteuning. Het is de kunst om een aanbod te voorzien en toegankelijk te maken dat aansluit bij de behoeften en vragen van ouders.

Wat is opvoedingsondersteuning?

Opvoedingsondersteuning is een heel ruim begrip. We leggen hier de focus op het ‘verrijken van de opvoedingssituatie’, d.w.z. ouders mee ondersteunen en begeleiden zodanig dat ze bewuster worden van de betekenis van het dagelijkse opvoeden. Het is ook belangrijk te weten dat opvoeden niet alleen ‘doen’ is of enkel te maken heeft met hoe ouders op kinderen reageren. Opvoeden heeft ook te maken met wat de ouders in de opvoeding belangrijk vinden, wat hun motieven of doelen zijn, welke kennis of inzichten ze over kinderen en hun ontwikkeling hebben én met de wijze waarop ze de opvoeding, het gedrag van hun kinderen, hun gezin beleven of de betekenis die ze daaraan geven.

Wat wensen ouders dan?

In elk onderzoek komt naar voren dat ouders vooral behoefte hebben aan emotionele ondersteuning, vooral vanuit het informele netwerk nl. de partner, de familie, buren, andere ouders en dergelijke. De sociale netwerken, niet alleen van maatschappelijk kwetsbare gezinnen, zijn echter kleiner geworden. Zo blijven gezinnen niet wonen waar ze opgegroeid zijn, maar verhuizen ze in functie van bijvoorbeeld hun job naar verder gelegen oorden. De ondersteuning die deze gezinnen anders in de dagelijkse of wekelijkse contacten met de eigen ouders, broers of zussen hebben, neemt af. Ondersteuningsinitiatieven trachten dit op te vangen door bijvoorbeeld ouders met mekaar, in groep, in contact te brengen. Deze bijeenkomsten variëren van sterk gestructureerde en vooraf ingevulde programma’s tot meer informele ouderbijeenkomsten. Ouders geven in onderzoek te kennen dat in gestructureerde programma’s hun eigen bekommernissen en hun eigen ervaringen onvoldoende tot hun recht komen. Ouders hebben een grote behoefte om hun ervaringen te mogen vertellen en daarop feedback te krijgen, alsook om hun ‘specifieke’ vragen te mogen stellen en daarop een antwoord te krijgen.

Dat geldt ook voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen. Ook zij hebben een zeer grote behoefte om met andere ouders in contact te komen, om met hen te kunnen praten en ervaringen uit te wisselen. Het sociale isolement van maatschappelijk kwetsbare gezinnen is echter niet gemakkelijk te overwinnen. We zien dit geïllustreerd in de motieven van maatschappelijk kwetsbare gezinnen om aan opvoedingsondersteunend groepswerk deel te nemen. Zo blijkt uit ons onderzoek dat een pedagogische bekommernis aan de basis kan liggen (bv. met het oog op het verminderen van het lastig gedrag van één van de kinderen of het verbeteren van de ouder-kindrelatie), maar even belangrijk of voor sommigen zelfs nog belangrijker is het doorbreken van het sociale isolement. Ze zien het groepswerk als een mogelijkheid om buiten ‘de muren van hun huis’ te treden en hun leefwereld te verruimen.

Marie, één van de deelneemsters aan het groepswerk getuigt over de uitbreiding van haar contactmogelijkheden én over het bijstellen van haar ‘vooroordeel’: ‘Ik kende al heel wat moeders van aan de schoolpoort, maar het was nooit in mij opgekomen om één van die moeders aan te spreken. Want je ziet de wijze waarop zij er staan, je ziet de wijze waarop ze omgaan met de kinderen. Dan heb je voor jezelf je conclusies getrokken.’ Deze moeder ondervindt, door de andere moeders de kans te geven hun verhaal te vertellen vanuit hun perspectief, dat zij het niet zo slecht bedoelen en dat ook zij proberen om het zo goed mogelijk te doen voor de kinderen. Door het samenbrengen van ouders in een groep kan m.a.w. gewerkt worden aan de beeldvorming over mekaar. Dit vraagt dat er in het groepswerk veel ruimte gecreëerd wordt of deelneemsters gestimuleerd worden om zich in het perspectief van de andere ouders te verplaatsen. Ze worden ook aangemoedigd om mét elkaar te praten, elkaar te bevragen, aan te vullen enz.

Stel dat een school, een vereniging of een dienst een ouderavond wil organiseren over thema’s zoals bijvoorbeeld positief aandacht geven, de samenwerking tussen ouders en school, geloof en zingeving, dan is vaak één van de grootste (terechte) bekommernissen: hoe bereiken we ‘onze gezinnen’. Onderzoek toont aan dat uitval of afwezigheid zowel bij individuele als bij groepsgebonden ondersteunings- of hulpverleningsvormen een steeds weerkerend probleem is. Voor het groepswerk dat we in het kader van ons onderzoek volgden, werden 60 gezinnen aangemeld, waarvan precies de helft ‘effectief’ deelnam. ‘Effectief deelnemen’ betekent dat de moeders tijdens minstens de helft van de bijeenkomsten aanwezig waren. Vergeleken met internationaal onderzoek is dit een behoorlijk resultaat. Uitval blijkt ‘overal’ een vast gegeven te zijn, ondanks de grote inspanningen die organisaties doen om ouders bijvoorbeeld naar een ouderbijeenkomst te krijgen. Ook als het gaat over de voorbereiding van een vormsel of een eerste communie blijven vaak verschillende ouders weg of valt de bedenking dat altijd dezelfde ouders aanwezig, dan wel afwezig zijn. Daarbij is het belangrijk zich de vraag te stellen hoe het komt dat die ‘specifieke’ gezinnen niet bereikt worden. Voor maatschappelijke kwetsbare gezinnen leert het onderzoek dat de afwezigheid in belangrijke mate te maken heeft met overmacht: een kind dat plots ziek wordt, geen kinderopvang ter beschikking of niet over een wagen kunnen beschikken. Zowel gezinsinterne als gezinsexterne factoren kunnen hun deelname in de weg staan, bijvoorbeeld het onverwacht moeten verschijnen voor de rechtbank, een afspraak met een maatschappelijk werker i.v.m. schuldbemiddeling e.d. Volgens sociale sleutelfiguren (bv. hulpverleners die gezinnen naar het groepswerk kunnen doorverwijzen) en afhakers (moeders die slechts één of twee bijeenkomsten aanwezig waren) is het vaak niet evident om in groep hun ervaringen, vragen of moeilijkheden te delen. Eens de ‘instap’ gemaakt, komt het erop aan om bijzondere aandacht te besteden aan de wijze waarop de deelneemsters hun ervaringen kunnen weergeven.

Dit is ook van belang in gesprekken met bijvoorbeeld kinderen. Een jongen had het wat moeilijk op de speelplaats. Zijn klasgenoten wilden niet altijd meespelen met het spel dat hij bedacht had of ze volgden niet altijd ‘de’ spelregels. Zijn moeder suggereerde hoe hij dat op een andere manier kon aanpakken. Een paar dagen later, toen zijn moeder vroeg of de speeltijden nu beter verliepen, zei hij: ‘Ik ga het niet zeggen want dan ga je toch weer zeggen hoe ik het moet aanpakken’. Ouders hebben vanuit een bezorgdheid, vanuit een oprechte bekommernis het idee dat ze iets moeten doen, dat ze een antwoord moeten geven, maar in de praktijk werkt dit niet of niet altijd zo goed.

Het groepswerk leert dat samen met andere ouders, die ook hun eigen ervaringen en perspectieven hebben, tot een mogelijk antwoord of oplossing komen, veel sterker is dan dat hen onmiddellijk, a.h.w. één oplossing gegeven wordt. Het elkaar bevragen en samen nadenken over een mogelijke oplossingsstrategie werkt ook veel beter op langere termijn. Naarmate ouders meer ervaring hebben om zelf na te denken over mogelijke veranderingen of manieren waarop ze hun eigen gedrag, dat van de kinderen of anderen in hun omgeving kunnen bijsturen, over de steun die ze in eigen omgeving kunnen vinden enz. zullen ze in de toekomst veel sterker staan.

Tot slot

Wat te verwachten van het groepsgewijs opvoedingsondersteunend werken met maatschappelijk kwetsbare gezinnen?

Zowel de deelneemsters als sociale sleutelfiguren (bv. hulpverleners, regioverpleegkundigen van Kind & Gezin die contact hebben met de deelnemende gezinnen) wijzen op betekenisvolle resultaten. Een heel sterk punt is het ‘persoonlijk functioneren’. 85% geeft te kennen dat deelneemsters sterker uit het groepswerk komen, dat ze meer zelfvertrouwen hebben en met een grotere zekerheid tegenover de toekomst en de opvoeding van de kinderen aankijken. Belangrijk daarbij is de ruimte die de deelneemsters krijgen om hun ervaringen mee te delen en de stimulansen om zelf te zoeken hoe het voor de kinderen en voor zichzelf als ouder en als partner anders kan.

Ook op het vlak van de ‘opvoedingsaanpak’, de manier waarop ze met de kinderen omgaan is er een verbetering. Het groepswerk draagt er ook toe bij dat de ‘beeldvorming’ van de deelneemsters over de hulpverlening, over bepaalde diensten en organisaties kan veranderen. 54% van de sociale sleutelfiguren zegt dat dit inderdaad anders is geworden. 62% van de sociale sleutelfiguren zegt bovendien dat hun ‘contacten’ met deze gezinnen nu beter verlopen. Ze stellen bijvoorbeeld vast dat ouders nu verwittigen als ze niet op een afspraak aanwezig kunnen zijn. Door in het groepswerk een openheid te laten, door ruimte te geven aan de eigen bekommernissen over de opvoeding, maar ook over hun huisvesting of financiële kwesties, wordt op verschillende levensdomeinen een vooruitgang geboekt. Het zijn hoopvolle resultaten die maatschappelijk kwetsbare gezinnen, ondersteund vanuit het groepswerk, zelf in belangrijke mate gerealiseerd hebben.