Inleidend kader – Lea Verstricht

Inleiding

Lang voor de Golden Globes en de Oscars werden uitgereikt las ik in de krant een artikel over de film Brokeback Mountain.

Eén van de opmerkingen klonk als volgt: als de acteurs homo’s zouden zijn, zouden we gewoon achteruit kunnen gaan liggen, zoals we dat gewend zijn tijdens film kijken, en genieten van de beelden. Dat de acteurs in dit geval notoire hetero’s zijn, maakt de zaak iets gecompliceerder. Moet je vol bewondering zijn voor de prachtige acteerprestaties? Of zet de mannenliefde u aan het twijfelen over de grens tussen hetero- en homoseksualiteit in uw eigen leven? Het is in ieder geval een feit dat deze film, zeker met alle aandacht en prijzen die hij in de wacht heeft gesleept, de homoseksuele liefde plots comfortabel heeft genesteld in de mainstream. Dit was niet altijd het geval. De meeste films die de homoseksuele liefde als thema hadden, waren gewoonlijk bedoeld voor het ‘alternatieve circuit’. Een vraag die naar boven kwam nadat de film ook in Vlaanderen te zien was, is of Brokeback Mountain voor het progressieve Europa belegen kost is, of dat de cowboyfilm ook hier emanciperende waarde heeft. Enkele reacties in de krant tonen het tweede aan. “Hoe oud we ook zijn, het blijft moeilijk om uit de kast te komen. We zijn bang voor de reacties van onze omgeving en over tien jaar zal dat nog zo zijn.” Of “Alle fases die we zelf hebben doorlopen zitten in de film: verwarring, aanvaarding, coming-out, dubbelleven,…”

De aandacht die de film Brokeback Mountain kreeg en krijgt, bewijst dat in deze prent een thema wordt aangesneden dat gevoelig ligt, dat niet onbesproken blijft, dat niet als vanzelfsprekend wordt ervaren. Want hoe men ook probeert te zeggen in kranten dat het om een onmogelijke liefde gaat, zoals er honderden verhalen zijn verschenen, sinds Romeo en Julia, blijft het toch vooral een film die homoseksualiteit in het midden van de aandacht plaatst.
Een tweede punt waar al de aandacht op wijst is dat homoseksualiteit een omstreden zaak is. Pro’s en contra’s, zeker in Amerika, bestaan naast elkaar, elk in zijn extreme vormen.
En we zitten er hier in het IPB waarschijnlijk ook middenin. Het wordt een delicate maar boeiende opdracht om de spanning uit te houden, niet te snel conclusies te trekken en te zoeken naar een eerlijke omgang met het thema van de homoseksualiteit, of beter van de homoseksuele mens in ons midden. 

1. De origine van de hedendaagse situatie

Ik meen dat dit naast elkaar bestaan van (al dan niet extreme) pro’s en contra’s eigen is aan elk onderwerp dat indruist tegen wat we als ‘normaal’ beschouwen. Misschien is het goed nog even ons oordeel op te schorten en te zien wat er gebeurt als iets vreemds op ons afkomt.
Want waar ligt eigenlijk de basis voor wat we ‘normaal’ noemen? Vaak is de normaliteit gebouwd op een niet-geschreven of een onafgesproken ontwikkeling van wat goed blijkt te zijn voor mens en samenleving. Het is dus vaak zo dat we de origine of het begin van deze ontwikkeling niet meer kunnen achterhalen. Het wordt een abstract gegeven, een fictie die aangehouden wordt om een orde te creëren of te handhaven. Wat storend werkt voor deze orde, of wat als bedreigend wordt ervaren, wordt al snel onderworpen aan een oordeel zodat het vreemde naar de marge van onze samenleving wordt geduwd. Hiervan kunnen heel onschuldige voorbeelden aangehaald worden. Denk aan linkshandigen, mensen met rood haar, dikke mensen, homoseksuelen, enzovoort. Zij die afwijken van het gemiddelde worden als abnormaal beschouwd. Zo zijn linkshandigen en roodharigen al lang geen uitzondering meer, rood haar is zelfs in. Voor dikkere mensen ligt dat anders in onze cultuur waar de aandacht bijna obsessioneel op het lichaam wordt gericht. Maar het kan ook minder onschuldig gaan, bij het aanvaarden van wat normaal is, en wat bedreigend.
Ik neem hierbij het voorbeeld van de Rechten van de mens. Ondertussen zijn het algemeen aanvaarde rechten, waarvan in christelijke kringen graag gezegd wordt dat ze teruggaan om de integratie van christelijke waarden in een samenleving. Ze werden geproclameerd in een tijd (1948), dat niet meer voor alle mensen de rechten verzekerd waren, namelijk mensen die door de oorlog en de na-oorlogse situatie in een onzeker bestaan waren terechtgekomen. Vertaald naar vandaag: vluchtelingen, vreemdelingen, illegalen, daklozen,… Wat ik wil zeggen is dit: de laatste groepen van mensen kunnen we niet meer direct onderbrengen in de orde die we onszelf willen bieden. En daarom sluiten we ze uit van wat we tot het normale willen laten behoren. We merken dus dat de Rechten van de mens eerder rechten worden van de burger, want op diegenen voor wie ze eigenlijk bedoeld zijn, namelijk de mensen die buiten de orde vallen, worden ze niet altijd toegepast. Wat blijft er dus over van de Rechten van de mens als we ze veilig opbergen in een systeem of enkel van toepassing vinden op iemand die al geïntegreerd is en die we als behorend tot onze orde beschouwen? Net zoals ze in oorsprong rechten waren, bedoeld voor de man, de vrouwen waren toen ook al stoorzenders van het beschreven ideaal.
Eén van de vooronderstellingen die aan de hele discussie van het thema van homoseksualiteit ten grondslag liggen, is de opvatting van ‘de natuurwet’, of de ‘menselijke natuur’. Enerzijds kan de menselijke natuur opgevat worden als een geheel van vooraf gegeven ordeningen die bepalend zijn voor het wezen van de dingen. Het doorbreken of negeren van deze ordening wordt dan als immoreel opgevat. Dit is de betekenis die de antieke filosofische strekking van de Stoa er aan gaf. Rechtsethicus Fernand van Neste vraagt in Tertio (21 sept 2005) of we het begrip ‘menselijke natuur’ niet eerder zouden kunnen opvatten als ‘wat de mens moet worden’, of ‘zelfontplooiing’, ‘zelfvoltooiing’. Deze laatste opvatting biedt (volgens van Neste) in ieder geval meer ruimte om te zien wat goed is voor mens en samenleving, rekening houdend met ontwikkelingen in het denken en aanvoelen van mensen. Waar in een doorgedreven orde-denken altijd mensen en ideeën zullen uitgesloten worden, krijgt in dit denken ook het meer problematische, chaotische, oncontroleerbare, of wat dan ook, een plaats.
Daar komt nog bij dat in de bespreking van morele situaties zelden de concrete omstandigheden worden behandeld. Morele problemen hebben nochtans steeds betrekking op concrete gevallen. Het is, nog steeds volgens Van Neste, om die reden dat pauselijke documenten in grote mate door de publieke opinie worden afgewezen. De concrete mens wordt al te snel over het hoofd gezien.
Het denken vanuit de ‘natuurwet’ of ‘de menselijke natuur’ kan dus niet als enige argument aangevoerd worden in de bespreking van homoseksualiteit.

2. De traditie als argument

Een andere basis om dit thema te behandelen is een verwijzing naar enkele bijbelfragmenten. Sodom en Gomorra is wel het bekendste.
De vraag die ik hier wil stellen is in welke mate een dergelijke verwijzing naar een traditie nog een voldoende argument is? Twee voorbeelden.

1) Een politieke partij in Nederland naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen, meer bepaald in Middelburg. Zij beweren trouw te blijven aan de christelijke traditie en de bijbel. Zij kunnen daarom geen TV toelaten in huis omdat veel van wat daar getoond wordt tegen de traditie ingaat. Of ze laten geen vrouwen toe in hun partij. Partijwoordvoerder: ‘Dat staat in de bijbel’. Journaliste: ‘Waar staat dat in de bijbel?’. Partijwoordvoerder: (na enige aarzeling) ‘We leiden het af uit bepaalde uitspraken en zinnen, want het is geen expliciet gebod van God’.

2) Guido Latré sprak op het Thomasfeest van de faculteit Godgeleerdheid te Leuven (7 maart 2006) over interpretaties van de bijbel in de literatuur en de volkscultuur van Engeland en de Verenigde Staten. In zijn betoog wees hij op een bepaald moment op de sterke neiging in de VS om de bijbel letterlijk te gaan interpreteren. En ik citeer hem: ” Zo wordt het verhaal van Sodom en Gomorra, bijvoorbeeld, letterlijk gelezen als een veroordeling, voor eens en voorgoed, van de homoseksualiteit. Deze tendens van letterlijkheid in de bijbellectuur uit zich ook in de weerstand tegen de evolutieleer van Darwin en de Oerknal-theorie van de aanvang van het universum. (creationisme) … Het is vaak in dezelfde maatschappelijke context dat een minimalistische bijbellectuur in vele gevallen berekend is op een maximaal moreel effect.
Tegelijkertijd verhindert een even vertekenende letterlijkheid vaak een meer indringende lectuur van de bijbeltekst. … Populaire lectuur van het leven als allegorie van de bijbel, en (lectuur) van de bijbel als recept voor het leven met al zijn morele en politieke uitdagingen, lijken allebei problematisch (en dit heus niet enkel in de Verenigde Staten)”

Een verwijzing naar de bijbel is dus niet zonder meer een argument om een oordeel te vellen over een ‘neiging’ of een gedrag van mensen. Waarmee ik niet wil zeggen dat er niks mee te doen is, integendeel. Maar een reflectie op de traditie en hoe ze telkens opnieuw gestalte krijgt is ook hier noodzakelijk. Ik haalde deze voorbeelden enkel aan om te wijzen op de gevaren die ons in de geschiedenis zijn getoond van het hanteren van de bijbel op deze manier.

3. Homoseksualiteit en de wetenschap

Ook de medische wetenschap heeft zich lange tijd bezig gehouden met het thema van de homoseksualiteit. Pas in 1990 werd homoseksualiteit geschrapt uit de lijst van stoornissen die opgesteld word door de Wereldgezondheidsorganisatie. In 1974 was homoseksualiteit er in terechtgekomen in één groep van stoornissen samen met o.a. exhibitionisme en pedofilie. Maar in ’90 werd uitdrukkelijk vermeld dat de neiging zelf niet als stoornis opgevat kon worden. Er kunnen natuurlijk wel problemen opduiken door onverwerkte conflicten betreffende homoseksualiteit en de integratie in de familiale en sociale omgeving. Deze problemen kunnen dan wel ondergebracht worden bij bijvoorbeeld depressies. Maar het gaat er om dat het in de wetenschap als een normale variant gezien wordt binnen de seksuele ontwikkeling. Hierop bouwt psychiater Arnold Beyne zijn onderzoek verder uit (Studiedag 24 feb 2006 van de faculteit van  Kerkelijk Recht te Leuven): Twee citaten:

1) “Er zijn voldoende wetenschappelijk onderbouwde gegevens die aangeven dat een seksuele geaardheid niet gereduceerd kan worden tot aangeleerd gedrag, en dat het dus redelijk is het te benaderen als een zijnsgegeven eerder dan als een louter aan- of afleerbaar gedrag.”

2) “De keuze voor de benadering vanuit een identiteitsmodel en niet vanuit een ziektemodel heeft belangrijke implicaties:

– einde van de stigmatisering van de geaardheid

– geen reductie van de mens tot zijn geaardheid

– meer ruimte om mensen te begeleiden in hun persoonlijke groei als volwaardige mens.”

Maar het is niet omdat de medische wetenschap is geëvolueerd en ook het maatschappelijk (politieke en juridische) klimaat gewijzigd zijn dat alle problemen van de baan zijn. In mijn jonge jaren heetten ze nog ‘een verkeerde’, en blijkbaar terecht volgens de normen van toen. Maar ook nu merk ik bij de jeugd in de klas nog een hevige weerstand naar holebi’s. ‘Stel je voor dat je er één bent’, of ‘stel dat je naast zo iemand moet zitten in de klas’, zijn uitspraken van 17-jarigen enkele weken geleden. De integratie en aanvaarding lijken nog niet voor morgen. De angst voor wat vreemd is, of voor het niet meetellen overheerst in het vormen van een oordeel.

4. Enkele bedenkingen bij dit alles?

We zitten op dit moment in het spanningsveld van enerzijds ontwikkelingen allerhande, gecombineerd met anderzijds een visie die het goede voor de mens en samenleving beoogt en die de ontwikkelingen daarom niet zomaar kan/mag/wil volgen. De paradox en de moeilijkheden zitten hier:

– enerzijds is er de evolutie in de maatschappij (op medisch, politiek en juridisch vlak). Wanneer we daar spreken over homoseksualiteit vanuit het christelijk standpunt is het niet vergaand genoeg, te éénzijdig, we worden in een hoek geduwd, enzovoort.

– anderzijds merken we dat het creëren van een ruimte in de kerk om dit thema te behandelen zeer gevoelig ligt en als te vergaand wordt beschouwd.

De angst om dit thema ter sprake te brengen is dan ook groot. Enerzijds omwille van de onwetendheid, anderzijds omwille van de gevoeligheid van het thema en de toch wel strakke houding van het kerkelijke beleid op dit punt. Hoe dienen we om te gaan met dit alles? Er is een onderscheid tussen de kerkelijke leer (cfr de laatste instructie over homoseksuele kandidaten voor de seminaries) en de (ook pastorale) praktijk. Omwille van het discriminerende karakter worden de kerkelijke documenten niet meer steeds ernstig genomen. En dat is ook spijtig. Wat is het statuut (nog) van het kerkelijk spreken in de maatschappij? De Kerk bekleedt geen machtspositie meer. Ze kan eerder het kritische geweten zijn van de hedendaagse wereld, met een boodschap van bevrijding, vrede en heil voor mensen en de wereld. Het is de profetische stem die moet klinken.
Het blijft daarbij van belang een openheid te creëren in verband met hoe de mens affectief in elkaar zit. En de dag van vandaag wil daar een bijdrage toe zijn.
De bedoeling van deze dag is dus dat we in eerste instantie proberen duidelijk te maken dat het over concrete situaties gaat. Die willen we confronteren met visies vanuit verschillende invalshoeken.

We hopen op die manier een open en constructief gesprek te stimuleren, waar we in juni op kunnen doorwerken, naar een pastorale houding toe. Ik hoop dat iedereen hier met een positieve intentie zit, en luistert en spreekt in het besef dat het voor alle deelnemers aan dit Forum in het voordeel is, elkaar te respecteren in wie we zijn, wat we betekenen, wat we zeggen en hoe we ons leven inrichten.

Forum 11 maart 2006