Inleiding – Benoît Standaert

Forum 6 oktober 2007

Levensbeschouwelijke ontmoeting
Het belang en de noodzaak in deze tijd van ruimte voor ontmoeting 
Inleiding door Benoît Standaert, Sint-Andriesabdij, Zevenkerken

  
Graag ben ik ingegaan op de vraag van uw voorzitter om hier te spreken over de interlevensbeschouwelijke dialoog. Laat ik beginnen met een gedicht van Martinus Nijhoff.

HET DERDE LAND 

Zingend en zonder herinnering
Ging ik uit het eerste land vandaan,
Zingend en zonder herinnering

Ben ik in het tweede land ingegaan,
O God, ik wist niet waarheen ik ging
Toen ik dit land ben ingegaan.

O God, ik wist niet waarheen ik ging
Maar laat mij uit dit land vandaan,
O laat mij zonder herinnering

En zingend het derde land ingaan.

Waar staan we? Waar komen we uit, binnenkort? Tussen het tweede en het derde land? Hoe ondergaan we de gang van de geschiedenis? Met name als het gaat over de dialoog, de interreligieuze of interlevensbeschouwelijke dialoog? We hoorden het verhaal van de vlinder die zich moeizaam uit zijn cocon worstelde: zo herken ik me wel, en zo zult u mijn uiteenzetting ook mogen ervaren als een wat onrustige heen- en weerbeweging tussen nieuwe perspectieven die opengaan en reacties van hoger hand die een hele andere strekking aanwijzen.

Historische en vergelijkende studies (zie o.a. Jean-Cl. Basset, Le dialogue interreligieux) tonen aan hoe nieuw die dialoog wel is. Alle partners in de dialoog zijn zelf nog in een fase van ‘inrijden’, “en rodage”. We hebben met name als religieuzen vanuit ons eigen midden weinig of geen ervaring noch methode meegekregen om een open en krachtige dialoog te voeren met “de anderen”. We komen uit een apologetische traditie: we weerleggen de ander en bewijzen ons groot gelijk. Soms lijkt het of we zelf niet exact weten wat we doen wanneer we zeggen dat we ‘dialogeren’ (het werkwoord bestaat niet eens, in het Groene Boekje). Paus Paulus VI is de allereerste die officieel het begrip ‘dialoog’ in zijn eerste encycliek Ecclesiam suam, (nog tijdens het concilie en enkele maanden vóór de goedkeuring van de tekst Nostra Aetate) op alle registers en in alle richtingen heeft naar voren gebracht. In het Latijn klonk dit toen als: colloquium. Onder meer ook met de islam. Zijn goede vriend Maurice Zundel, en Zwitsers priester met een apart profetisch aanvoelen, schreef ooit een zeer ironische bladzijde, een paar jaar later, in 1966, over de afstand tussen ons spreken en wat we in feite beogen, als een verborgen agenda, terwijl we zo luid roepen: dialoog, dialoog! Ik citeer u die bladzijde van Zundel die er zelfs de paus heel direct in betrekt.

“Wij bieden de dialoog aan, aan de communisten, ja, maar uiteraard verwerpen we het atheïsme.
Wij bieden de dialoog aan, aan de niet-christenen, maar uiteraard zullen we niet ophouden de noodzaak van Jezus Christus te poneren.
Wij bieden de dialoog aan, aan onze niet-katholieke broeders, maar uiteraard zullen we blijven de noodzaak van Petrus verkondigen.
En uiteindelijk blijken al die kringen die zich uitstrekken en zich van Rome verwijderen, toch rond Rome te cirkelen, rond het primaatschap van Petrus, want daar is de goddelijke instelling en men kan toch niet minder vragen aan een opperste Pontifex dan dat hij gelooft aan het primaatschap van Petrus op wiens katheder hij zetelt.
En zonder hoogmoed, zonder enggeestigheid van hart of verstand, ter goeder trouw en met een gepassioneerde wil tot dialoog, maakt men in feite de dialoog ongedaan,
want, als het nu eenmaal vaststaat dat u mij, communist, aanneemt maar reeds op voorhand mijn atheïsme veroordeelt;
als u mij, niet-christen, boeddhist of shintoïst, aanneemt, maar dat op voorhand Christus noodzakelijk is in uw diepste overtuiging;
als u mij, orthodox of protestant, aanneemt, maar dat u op voorhand zich de Kerk niet kunt voorstellen zonder het primaatschap van Petrus, dan is de dialoog nu al onmogelijk, aangezien er uiteindelijk slechts één positie bestaat, namelijk de uwe”. (Uit Marc Donzé, Témoins d’une Présence. Inédits de M. Zundel, T. II, Tricorne, Genève 1987).

Met de dialoog staan we voor iets nieuws, we moeten het allen nog eigenlijk grotendeels aanleren en toch: is de wind nu al niet aan het keren? Die vraag beginnen velen zich te stellen, na de publicatie van Dominus Jesus in het jubeljaar 2000, een tekst uit het schrijfatelier van kardinaal Jozef Ratzinger, en vooral na de historische flater van Regensburg, met de paragraaf aan het adres van de moslims. We mogen dit laatste gebeuren proberen te dedramatiseren maar de blinde vlek en de wil en moed om anderen vlakaf te zeggen wat we denken, zitten diep verankerd in die door de media erkende flater. Is de wind aan het keren, vooral nu onder Benedictus XVI? 

Wat staat er dan fundamenteel op het spel: een tweevoudige manier om de verhouding tussen “identiteit” en “relatie” te verstaan. Hier hebben we filosofisch een dubbele traditie in onze kleren. Hegel aan de ene kant en Aristoteles-Thomas van Aquino aan de andere.
– In de Aristotelische en thomistische traditie is de relatie iets bijkomstig, een ‘accident’. Het wezenlijke is gegeven in de substantie. Onze identiteit in die traditie heeft met substantie te maken. Zij staat op zichzelf (sub-stare); zij overstijgt en ontstijgt aan de vele accidenten zoals relatie, tijd of ruimte, enz.
– Bij Hegel wordt paradoxaal de relatie als wezenlijk beschouwd. We zijn onze relaties. We zijn niets anders dan knooppunten van relaties. We danken ons wezen aan de rijkdom, breedte en kwaliteit van doorleefde relaties. Onze identiteit groeit in de mate dat we steeds meer doorleefde relaties kunnen uitbouwen. De relaties zijn dus niet weg te denken van onze wezenskern die gevormd wordt door de verhoudingen en door het veld waarin wij ons bewegen.
– We zouden hier nog Levinas aan kunnen toevoegen die de relatie tot de Ander ziet als eerder en waarlijk constitutief van m’n eigen subjectiviteit. Voor Levinas’ beschrijvend oog, is de ander altijd eerst en plaatst mij dan ook “in de accusatief”. Zo word ik, tegenover zijn openbarend gelaat, op slag “verantwoordelijk”. Nooit ben ik daarbij eerst. Het eerste wat ik kan zeggen is : “me voici“, de vertaling van het Hebreeuwse Hinnenih, waarbij de ego alleen in de accusatieve vorm (ni) optreedt.

Tegenwoordig zien we de neiging weer de kop opsteken om de identitaire discours te hanteren. Assertief poneert men wie men is, en als dat voor de andere een probleem is, dan is dat zijn of haar probleem! De relatie is hierbij terug ‘bijkomstig’ en volkomen ondergeschikt aan de krachtig geponeerde identiteit. Daarin imiteren we niet zelden de anderen, gewild of ongewild.

benoit_standaert 

Religieus geweld is de eerste vrucht van zo’n poneren. De paar keren dat ik in Zuid-Afrika verbleef, werd mijn aandacht op dit fenomeen getrokken: een pure ‘identitaire discours’ baart geweld (om maar niet te spreken van het H. Land of Libanon). Vaak gaat dit gepaard met de gewoonte naar binnen theologisch hard en schitterend en absoluut maar ook totalitair te spreken. Dat hebben we eeuwenlang gedaan, vaak achter gesloten deuren, de anderen ignorerend of van ver bekogelend met onze theologische bommen of anathema’s. Vandaag dringt zich de relatie op, cultureel, langs alle kanten. De gesloten burcht heeft het paard van Troje binnengelaten. We kunnen niet meer buiten of zonder dialoog, in de diepte.

De vraag is of men uit angst die weg nog wel wil bewandelen. Is er namelijk geen reden om bang te zijn? Contaminatie? Syncretisme? Inculturatie?

Sinds het begin van de jaren negentig heb ik me meer systematisch op de vragen van de interreligieuze dialoog toegelegd, wat geleid heeft tot het scheppen van de categorie “Jezusruimte”. De Jezusruimte als categorie onderscheidt zich van de historisch-kritische benadering van het Jezusgebeuren en ook van het dogmatische spreken erover. Die categorie van de Jezusruimte moet ons in staat stellen de anderen te ontmoeten in en vanuit hun eigen geestelijke ruimte: de boeddha-ruimte, de koranische ruimte, de chassidische of kabbalistische ruimte bij de joden bv. Geen verpletterende relatie, geen reductie van de een tot de ander, maar bevruchting, uitdaging, verruiming, gastvrijheid met alle ongekende dimensies die een gast en een gastheer onderling meemaken in de ruimte van de gastvriendschap.

Eén van de ontdekkingen bij dit onderzoek waren de opvallende immuniseringmechanismen die we onderling, tussen de drie abrahamitische godsdiensten, over de eeuwen hebben ontwikkeld, naar elkaar toe. Willen we echt ‘dialogeren’ dan zullen we die mechanismen uit het verleden moeten durven ontleden, en zelfs door deconstructie stelselmatig afbouwen.

  • Tussen joden en christenen. We kennen de zeer verspreide tegenstelling tussen aan de ene kant: Wet, slaven, gebukt, uiterlijke godsdienstigheid, farizaïsme, hypocrisie, hardnekkig ongeloof; en aan de andere kant: evangelie, vrijheid, authenticiteit, het hart, gelovig instemmend, genade… Een catechetische tegenstelling. Van daaruit moeten we onze onmacht bekennen om de ander te verstaan in zijn liefde voor de Wet, zijn vrijheid en zijn beleving van ‘wet’ als een moment van ‘genade’ en ‘openbaring’! Willen we de ander verstaan zoals hij zich verstaat dan zullen we ons schema helemaal moeten afbreken en loslaten…
  •  Moslims en christenen. Mimetisch: elementen (theocratie) van de anderen overnemen om definitief geïmmuniseerd te zijn tegenover het byzantijns regime. Historici wezen er al op: ‘Mohammed is het antwoord van de geknechte Semitische wereld aan Alexander de Grote’. Syrische denkers hebben dit systeem na Mohammed verder uitgebouwd. Voor hen en voor vele niet-byzantijnse tradities was de islam aanvankelijk een bevrijding. We kunnen de geschiedenis van Alexander de Grote en van de Kruistochten herhalen, blindelings, à la Bush I en Bush II. De anderen hebben het geheugen van de slachtoffers… Dit is allemaal niet zo makkelijk te erkennen vanuit westers standpunt, te meer dat we het byzantijns wereldbeeld in vele opzichten (en niet in alle!) hebben losgelaten, zeker in het Westen (minder in het oosten van Europa). De moslim biedt ons een spiegel aan waarin we onszelf niet willen herkennen… De fout te Regensburg is wellicht vooral deze dat een professor wel zijn bibliotheek heeft geraadpleegd maar de historische context van zijn citaat alleen vanuit het westerse geheugen heeft aangehaald, onwetend van de lijdensgeschiedenis die het oosterse geheugen heeft bewaard… Staande ovatie op het moment zelf, en verrassende en hoogst pijnlijke kettingreactie van moskee tot moskee geen drie dagen later.

Wat de niet-abrahamitische godsdiensten betreft, is de dialoog in die zin interessanter want we hebben geen eeuwenoude muren gebouwd tussen bv. ons en het boeddhisme. We beginnen elkaar te kennen, sinds minder dan een eeuw. Maar fijne analisten geven toe: we staan voor onverzoenbare systemen! Geen kwestie om die systemen in elkaar te laten overvloeien: ze ketsen elkaar af. Ook hier weer is de categorie van Jezusruimte passend en nuttig: de ene ruimte komt de andere niet inpalmen maar ontdekt vanuit de ervaring van vrijheid bij de een en bij de ander momenten van verdieping, verruiming, bevruchting of uitdaging (het Chinese beeld van “de jade steen die mooier wordt als je die polijst met een andere jade steen van een andere berg”, zo Hozumi Roshi in 1988 te Rome, bij de slotevaluatie (« Pour polir le jade il faut une autre pièce de jade, provenant d’une autre montagne » (Hozumi Gensho Roshi), in Bulletin Secret. pro non christianis 67 (1988)-XXIII/1, p. 35).

In dialoog treden is hard werken op zichzelf. De ander proberen te verstaan in zijn eigen zelfverstaan om nooit meer “over” de ander te spreken op manier die hij of zij niet zou kunnen beamen (vgl. over het boeddhisme, Johannes Paulus II in Op de drempel van de hoop).
Raimon Pannikar getuigt dat elke volwaardige dialoog leidt tot een bevraging van zichzelf en dus tot een intradialoog. Van inter naar intra. Dit is uiteraard niet onverschillig: bepaalde stellingnamen, zo evident, worden minder evident en moeten herschikt worden vanuit het gesprek met de ander.
Paul Ricoeur was eveneens streng in zijn verwachtingen met betrekking tot de ontmoeting van de wereldgodsdiensten: ‘C’est en profondeur seulement que les distances se raccourcissent’, ainsi Paul Ricoeur dans une interview avec Hans Küng, sur Arte, le 5 avril 1996, cité dans G. Ringlet, L’évangile d’un libre penseur, Paris, 1998, 220. ‘Si vraiment les religions doivent survivre, elles devront satisfaire à de nombreuses exigences. Il leur faudra en premier lieu renoncer à toute espèce de pouvoir autre que celui d’une parole désarmée; elles devront en outre faire prévaloir la compassion sur la raideur doctrinale; il faudra surtout – et c’est le plus difficile – chercher au fond même de leurs enseignements ce surplus non dit grâce à quoi chacun peut espérer rejoindre les autres…’
Een kostbare, aanvullende categorie voor de ontmoeting is die van “gastvrijheid”. Louis Massignon, Sege de Beaurecueil, Christian de Chergé en Pierre de Béthune (zie van deze laatste de recente synthese in L’hospitalité sacrée entre les religions, Albin Michel 2007). Sinds het einde van de jaren ’70 zijn monniken van oost en west geëngageerd in een uitwisseling die vooral gastvriendschap beoefent, nu eens hier in het westen, dan weer daar in Japan bv. De concrete vormen gaan voorbij het woord. Dit is uiteraard moeilijk, veeleisend maar niet minder openbarend in de diepte. Naderhand is niemand nog helemaal dezelfde.

Vanuit die ervaringen en de studie kan ik vandaag nog slechts een pleidooi houden voor een nederig christendom, want inhoud en vorm zijn ten diepste nederig. Aan de totalitaire droom kunnen we beter eens en voor goed sterven. We zijn een dienende presentie of we zijn niets. “Als de Kerk niet dient, dient ze tot niets”. 

Mijn verblijf in Algerije, vorige maand heeft me lijfelijk geconfronteerd met een christelijke aanwezigheid die bijna tot niets herleid is maar die de vreugde van het evangelie dagelijks beleeft in die dienende relatie tot de ander. De vruchtbaarheid ervan is niet te specificeren maar werkt osmotisch op het milieu. Weliswaar voelt men enerzijds hoe die christenheid bedenkelijk ouder wordt en in haar leden zich moeilijk kan vernieuwen, en anderzijds hoe het logisch coherente islamisme blijft aanzetten en veld wind, meer en meer, als een olievlek. Dit kan beangstigend werken maar zij die ter plekke gebleven zijn, hebben als het ware zovele angsten overleefd dat ze voorbij de angst leven. Ze weten dat hun aanwezigheid een meerwaarde geeft aan het land. Een pot die met al te zuivere klei gebakken wordt, breekt gemakkelijk. Dankzij vreemde elementen, zoals een beetje kaf in de klei, houdt het vaatwerk, eens uit de oven, veel beter stand tegen een eventuele stoot.
De vraag is willen we, uit de grond van ons hart en in de oriëntatie van heel ons ondernemen, het risico verder wagen van de dialoog?

Zoals ik reeds wees op de neiging om terug met kracht onze identiteit te poneren ongeacht de reacties die dat bij anderen zou kunnen oproepen, zo zien we vandaag bij niet weinigen de neiging om terug te knopen aan de schitterende barokperiode die ook samenviel met de Contra-Reformatie, en allesbehalve oecumenisch dialogaal was… In sommige uitspraken van onze paus lezen we: “Laat ons Vaticanum II terug op één lijn trekken met de voorafgaande concilies en o.m. met het concilie van Trente. Laat ons een hermeneutiek van de continuïteit plegen bij de interpretatie van Vaticanum II en niet die van de discontinuïteit”. (Velen in Centraal-Europa, Noord-Italië (de Ambrosiaanse Kerk), Beieren, Rome zelf vinden zich daarin terug.) Dat betekent echter dat het echt nieuwe zodoende gladgestreken kan worden.

Wat is het echt nieuwe dan? Dat wij een historische godsdienst zijn, open op het wel en wee van de fluctuerende geschiedenis binnen onvaste en wisselende culturen, en dat we bereid zijn daar constant op in te spelen, vrij zoals het woord Gods vrij de geschiedenis heeft omhelsd in de menswording. Zo leefde men vóór Constantijn. Een levende minoriteit, zout en zuurdesem in het deeg van de geschiedenis. Is dit ondenkbaar?

De geschiedenis kenmerkt zich door opeenvolgende pendelbewegingen. Is de slinger niet aan het terugvallen, in de andere richting? Is de wind niet aan het keren? Die vraag obsedeert mij de laatste maanden. De perceptie van de dialoog als nieuwe categorie, geen nieuwe strategie om verkapt toch weer aan wervende missie te doen, is aan het afzwakken. De dienst of de pauselijke Raad voor de dialoog onder de godsdiensten werd heel vlug na de benoeming van paus Benedictus XVI onthoofd: de voorzitter, een witte pater, kenner van de islam, mgr Fitzgerald, werd naar Kaïro gezonden. Kardinaal Poupard, reeds voorzitter van de Raad voor de cultuur, werd aangesteld als voorzitter voor de Raad van de interreligieuze dialoog: hij cumuleerde dus beide functies. Werden de godsdiensten voortaan op de eerste plaats als culturele fenomenen beschouwd, net zoals in de gangbare media? Werd de dialoog herleid tot respect voor elkanders culturele eigenheid, zonder meer? De tijden zijn toch weer aan het veranderen. De Raad voor de dialoog tussen de godsdiensten kreeg bij het begin van de zomer weer een nieuwe eigen voorzitter: de voormalige archivaris en bibliothecaris van het Vatikaan kardinaal Jean-Louis Tauran. Hij is in feite een diplomaat, leefde een tijdlang in Libanon, en was een van de belangrijkste diplomaten onder JP II. Zijn secretaris is mgr Pier Luigi Celata, eveneens een diplomaat (vroeger nuntius hier in Brussel). Echte interreligieuze kennis en vertrouwdheid is er in de vorming van beiden niet aanwezig. De dienst zal vooral diplomatieke verhoudingen onderhouden met religieuze vertegenwoordigers van andere belijdenissen en tradities. Niet veel meer. De dialoog in de diepte van godsdienst tot godsdienst blijft buiten beschouwing want wordt bestempeld als te gevaarlijk, zo herhaalt men.

Politiek en sociologisch is de houding van dialoog een veel zwakkere dan die van het harde poneren van onze volle identiteit: is dat een probleem voor de anderen, wel dan moeten ze zich daar maar zelf over bezinnen of zich bekeren. De dialoogmensen staan tegenwoordig in de kou. Het kerkelijke denken wordt ‘autoreferentiaal’, zegt men in Italië: men refereert alleen naar zichzelf, wat beantwoordt aan de narcistische neiging van onze cultuur. We moeten het weten, we hoeven het niet op te geven. Als zalmen in de stroom van de huidige geschiedenis staan, volgens de krachtige regels uit een vers van Ida Gerhardt:

(…)
Stroomopwaarts…
die krachtens ingeschapen moeten
elf stroomversnellingen bestaan,
de waterval met staarten slaan;
die tartende de zwaartekracht
tegen de katarakt opgaan.

Een vriend, in Italië, zegt: het is hier allemaal zeer leeg aan het worden, en de Kerk, wil ze levensvatbaar herrijzen, zal weer naar de woestijn moeten worden gevoerd. De woestijn is de fase waarin we gedreven worden, om van daaruit, naakt en echt weer in gesprek te treden met kosmos en geschiedenis.
In een recent Italiaans artikel over het concilie Vaticanum II las ik hoe kardinaal Martini gezegd moet hebben: in de decennia na Vaticanum II hebben we één van de mooiste periodes van de kerkgeschiedenis mogen beleven. Het gevoel dat die periode aan het voorbijwaaien is en dat een winter aankomt, grijpt mij aan. Al merk ik onderaan nog heel wat nieuw leven openbreken, ik kan niet verzwijgen dat boven op de berg veel sneeuw aan het vallen is.

Toch moeten we verder: Elia de vuurprofeet leert in de woestijn dat God zich openbaart in de stem van een indringende stilte. Van zodra hij die stem ontwaart treedt hij weer in relatie en ziet hij hoe er toch nog toekomst weggelegd is voor dat volk van God en hoe God zich 7000 mensen bewaard had die hun knieën niet voor de baäls hadden geplooid, hij die dacht dat hij de enige overgeblevene was! Laat ons blijven hopen tegen alle hoop in.

Overwegen we nog een bladzijde van de soefi meester Rûmi, die als een wegwijzer de overkant laat zien, wie weet ‘het derde land’…?

“Wat moet er gedaan worden, o moslims?
Want ik ken mezelf niet meer.
Ik ben geen christen, geen jood, geen Pers en geen moslim.
Ik ben noch van het oosten noch van het westen, noch van het vasteland noch van de zee.
Ik ben niet afkomstig van de werkplaats, noch van de natuur en evenmin van de draaiende hemellichamen.
Ik ben niet van de aarde, noch van het water, noch uit de lucht, noch uit het vuur.
Ik kom niet van de goddelijke stad, ook niet van het stof, niet uit het wezen of uit de essentie. (…)
Ik ben niet van deze wereld en evenmin van de andere, niet uit het paradijs en niet uit de hel.
Ik ben niet uit Adam voortgekomen, noch uit Eva, niet van Eden en niet van de engelen van het Eden.
Mijn plaats is zonder plaats, mijn spoor is spoorloos, noch lichaam noch ziel.
Want ik behoor tot de ziel van de Veelgeliefde.
Ik heb de dualiteit opgezegd, ik heb ingezien hoe de twee werelden één zijn.
Wat ik zoek is EEN, EEN wil ik aanschouwen, EEN is het wie ik aanroep.
Hij is de eerste, Hij is de laatste, de meest uiterlijke en de meest innerlijke.
Ik ken niets anders dan “O Hij” en “O Hij die Is”.
Ik ben dronken door de beker van de liefde,
De werelden zijn aan mijn blik onttrokken,
ik heb geen andere zorg of kommer dan het gastmaal van de Geest en het wilde drinkgelag.
Heb ik in mijn leven één ogenblik zonder U doorgebracht,
dan wil ik vanaf dit uur en dit ogenblik spijt hebben van mijn leven.
Als ik in deze wereld één ogenblik met U kan winnen,
dan wil ik de twee werelden met de voeten treden,
en triomfantelijk dansen voor de eeuwigheid”. 

Djalal al-Dîn Rûmi, Diwân.