Een sociologische studie – Staf Hellemans

Het eerste deel gaat over de situatie waarin de katholieke Kerk en de katholieken zich op dit moment bevinden in België en in het Westen. Het tweede deel gaat over de gevolgen voor de thematiek van de levensbeschouwelijke ontmoeting. Het besluit geeft enkele suggesties en ankerpunten en probeert een globale visie te geven.

Eerste deel

1.   Religie, religies, religiositeit

Religie kan men indelen in drie niveaus.
Eerste niveau: religie. De religie in het enkelvoud gaat over alles wat binnen dat domein gebeurt. Dat zijn de meest verschillende dingen: iemand die een ervaring heeft op een wandeling door het bos, een misviering enz. Alles wat te maken heeft met de relatie immanentie-transcendentie noemt men religie. Wanneer men een transcendentie ontkent, spreekt men van een levensbeschouwing. Dit is de reden waarom het IPB gekozen heeft voor ‘levensbeschouwelijke ontmoeting’, om de vrijzinnigen mee op te nemen in de dialoog.
Tweede niveau: de religies. De religies zijn herkenbare stromingen die interpretaties geven van de relatie immanentie-transcendentie en die kanalen aanbieden om de transcendente realiteit of dimensie te bereiken.
Derde niveau: individuele religiositeit. Dit is de religiositeit van mensen, van personen, van individuen.

Zeker in de geschiedenis van België en van het katholicisme is er lange tijd een identificatie, een samenvallen geweest van deze drie niveaus. Er was maar één religie, het katholicisme en de individuele religiositeit werden geacht samen te vallen met wat de Kerk aanbood en voorschreef. Na 1960 is er een verder uiteengroeien van deze niveaus, door de opkomst van vele religies en door het zich distantiëren van de individuele religiositeit van het aanbod van de religies en de Kerken.

2.   De katholieke  Kerk in overgang

Meestal zet men religie en Kerk tegenover de moderne samenleving. De Kerk die veel aspecten van de moderne samenleving veroordeelt en omgekeerd de moderniteit die geen religie of Kerk zou nodig hebben. Men vindt dit ook terug in de secularisatietheorieën. Hierop kwam de laatste tien jaar in de godsdienstsociologie heel wat kritiek. Men gaat er nu meer en meer van uit dat religie en Kerk een deel van de moderniteit zijn, zoals ook de economie, de politiek enz.. Religie heeft zich, met de verandering van de samenleving, met de verandering van de moderniteit, ontwikkeld van vóór-moderne vormen (vóór 1500), naar nieuwe vormen.

De vorm die het katholicisme van 19de eeuw tot 1960 heeft aangenomen, noemt men het Ultramontaans massakatholicisme.
Ultramontaans‘ komt van het Latijn ‘Ultramontes’, ‘aan de andere kant van de bergen’. In de 18de-19de eeuw, ontstond eerst in Frankrijk, nadien ook in België en andere landen een beweging die zich voor de bepaling van het katholicisme naar ‘de andere kant van de bergen’, naar Rome richtte. Ze wilde geen nationale Kerk zoals de gallicanen en de jozefisten evenmin een liberaal katholicisme waar grote vrijheid voor eigen interpretatie was. Ultramontanen waren conservatieve katholieken die zeiden dat de wijsheid uit Rome kwam. De positie van de paus in de katholieke Kerk werd in de 19de eeuw nog veel sterker dan voordien het geval was. Het katholicisme wordt rooms. De priesters kleedde zich in een Romeinse toga en boord, de misviering wordt verder gelatiniseerd. Deze diepgaande verroomsing heeft te maken met de moderne samenleving, met het feit dat transport en communicatie gemakkelijker wordt, dat hiërarchieën veel sterker georganiseerd kunnen worden, dat lokale ontwikkelingen ook van veraf gecontroleerd kunnen worden.
Een ander aspect nl. massakatholicisme, massa-organisaties en verzuiling werd eveneens pas mogelijk in een moderne samenleving. Vóór 1800 was de katholieke Kerk als een federatie van bisdommen georganiseerd waarbij de bisschoppen een eigen macht hadden. Rome was toen nog veraf. In de 19de eeuw wordt de katholieke Kerk een massa-organisatie (cfr ook massamanifestaties zoals processies en bedevaarten) waarbij de gewone mensen veel sterker in de katholieke Kerk worden opgenomen. In verschillende katholieke landen gaat men daarrond politieke, sociaal- economische en culturele organisaties oprichten. Men spreekt hier van verzuiling.

Deze vorm van ultramontaans massakatholicisme geraakt na 1960 in verval, ook weer ten gevolge van de verandering van de samenleving. De welvaart breidt uit, er is een grotere tolerantie t.o.v. hoe men zijn leven inricht en een verregaande individualisering op alle mogelijke vlakken van het leven, ook op vlak van religie. Men wordt opgevorderd om op een persoonlijke authentieke manier te geloven, om te kiezen of men zich al dan niet wil inzetten voor een religie. Vandaar de term ‘keuzekatholisicme‘.
Met de overgang van de industriële moderniteit (tot 1960) naar de nieuwe moderniteit (na 1960) gaat een ombouw van het katholicisme gepaard. Een ombouw die ook samengaat met een inboeten aan macht en aan invloed. Men spreekt hier terecht van secularisatie. Er is een ombouw wat betreft de manier waarop de leer in het leven van de katholieken opgenomen wordt en verwerkt wordt. Men gaat meer de religieuze ervaring centraal stellen en minder de regels. Er is een drastische daling van priesters, er komt een verandering in de attitude van de leek die evolueert van een hulpkracht naar een vrijwilliger, naar een eigenzinnige consument.
De ombouw gaat moeizaam. Sommige zaken lukken goed bv. de manier waarop de Wereldjongerendagen gestalte krijgen, is een typische vorm van na 1960, een soort religieus festival (in tegenstelling tot bv. de processies van voor 1960). Het is een gans andere vorm om massaal geloof te beleven. Maar over het algemeen heeft de katholieke Kerk het moeilijker met de eigenzinnige individuen.

3.   De Kerk in de levensbeschouwelijke markt

De Kerk komt op een levensbeschouwelijke of religieuze markt terecht met heel veel aanbieders van ‘religieus waar’, vaak in minder georganiseerde vorm zoals bv. New Age. De Kerk die tot 1960 dominant was, evolueerde van dé Kerk naar een Kerk onder vele religies, evolueerde naar een Kerk die moet leren verleidelijk te zijn, die moet leren mensen aan te spreken.
Het is van belang dat men een eigen identiteit en een eigen aanbod heeft. Men kan slechts mensen aanspreken indien voor hen duidelijk wordt dat zij bij deze Kerk moeten zijn om met het heilige in contact te komen. Het beleid en het streven moeten daarop gericht zijn. Hoe kan de katholieke Kerk uitstralen dat men bij deze Kerk God kan bereiken?
De Kerk moet daarbij aandacht hebben voor drie categorieën van gelovigen: religieuze virtuozen (mensen die dag in, dag uit met religie bezig zijn), de vaste achterban (mensen die regelmatig met religie bezig zijn), de ‘lauwen’ (diegenen die af en toe komen kijken bij ‘rites de passage’ bv. doopsel, vormsel, huwelijk of begrafenis). Typerend voor een grote Kerk is dat ze aandacht heeft voor de drie categorieën. Een sekte richt zich enkel naar de virtuozen en de achterban en blijft een kleine groep omdat men hoogdrempelige verwachtingen koestert. De derde groep is het moeilijkste te bereiken, maar is van groot belang om een grote Kerk te blijven. De ‘rites de passage’ is voor de katholieke Kerk hier een grote troef, een groot voordeel. Het is immers belangrijk dat men een aanbod heeft voor een heel ruim publiek zonder dat het zich moet engageren.
Publieke zichtbaarheid en optreden. Zolang de katholieke Kerk de meerderheid van de bevolking onder haar leden telde en de misviering regelmatig werd gevolgd, was de katholieke Kerk vanuit de parochie bekend. Dat is nu niet meer het geval. Het is daarom van belang dat de Kerk op alle niveaus bekend maakt wat ze doet. Dit gebeurt te weinig. Er wordt in feite veel meer georganiseerd dan naar buiten uit zichtbaar is. Men zou meer aandacht moeten besteden aan die zichtbaarheid.

Wat de toekomst zal brengen, is niet te zeggen. Indien de katholieke Kerk het lukt om zich af te stellen op de nieuwe moderniteit, op de individualisering, op het keuzegedrag van mensen zou zij een grote Kerk kunnen blijven met de drie categorieën, waarbij de vaste achterban veel kleiner zal zijn dan vroeger. Het probleem is hoe men nog met een kleine groep van virtuozen en een vaste achterban een heel grote groep kan bedienen zonder zelf kapot te gaan. Indien dit niet lukt? Een restkerk, redelijk liberaal maar slaagt er niet in om de grote groep te bereiken? Een sekte, keert zich af van de samenleving of van de grote groep en richt zich tot de eigen kern?

Tweede deel

4.   Multiculturaliteit en multireligiositeit

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen multiculturaliteit en multireligiositeit. Ze overlappen elkaar maar zijn niet hetzelfde.

Multiculturaliteit verwijst naar meerdere culturen, naar collectieve culturen of naar collectieve subculturen. Men denkt dan aan subculturen die het gevolg zijn van migratie van bevolkingsgroepen zoals Marokkaanse, Turkse, Congolese culturen enz.
Een belangrijk probleem in onze samenleving is hoe de verschillende culturen en de dominante westerse, Belgische of Vlaamse cultuur kunnen samenleven. Hierover bestaan verschillende visies: universalisme, multiculturalisme en particularisme.
Universalisme: Er moeten universele waarden zijn, die door alle culturen en subculturen gedragen worden. Dit is de gemeenschappelijke basis om met elkaar samen te leven bv. mensenrechten, de menselijke waarde, gelijkheid man en vrouw enz.
Multiculturalisme: Elke cultuur is weliswaar een wereld op zich, maar men kan van de andere leren wat verrijkend is.
Particularisme: Het samenleven van vele culturen is moeilijk. Het komt erop aan van de eigen cultuur te versterken, de dominante cultuur sterk genoeg te houden en de andere culturen voldoende in de dominante cultuur in te voeren.

Bij multireligiositeit heeft men eveneens te maken met subculturen, maar het accent ligt niet op de identiteit van een cultuur en een religie, maar op de religie zelf.
Er zijn drie soorten van levensbeschouwelijke ontmoeting: er is de levensbeschouwelijke of religieuze ontmoeting met allochtone subculturen die met een andere religie verbonden zijn dan de christelijke. Er is de ontmoeting met andere religies en levensbeschouwingen van autochtonen nl. de vrijzinnigen, de protestanten, New Age (pluralisme) en er is de levensbeschouwelijke ontmoeting met individuen die een mix maken uit het religieuze aanbod (individualisering).

5.   Levensbeschouwelijke ontmoeting

Er is duidelijk een verschil tussen levensbeschouwing en religie. De term ‘levensbeschouwelijke ontmoeting’ is gekozen om ook de vrijzinnigen erbij te betrekken. Oecumene is de dialoog tussen christenen, met protestanten, anglicanen, orthodoxen. Interreligieuze dialoog is dialoog met niet-christelijke religies zoals joden, islam enz.

Er zijn vele vormen van ontmoeting tussen religies. Meestal denkt men in eerste instantie aan een theoretische dialoog, een theologische of levensbeschouwelijke dialoog, maar er zijn ook andere vormen. Er is de spirituele ontmoeting, de ontmoeting via gebed en meditatie. Gemeenschappen van verschillende religies kunnen elkaar ontmoeten. Men kan gezamenlijk publiek optreden.

De spits en de ijsberg. De vele vormen van ontmoeting tussen religies zijn ontmoetingen tussen een kleine groep van representanten van grote religies en levensbeschouwingen. Het grootste deel van de levensbeschouwelijke en religieuze ontmoetingen gebeurt buiten dat kader, in het leven van alledag. De ‘spits’ maakt zichtbaar wat ‘onder water’ gaande is en kan richtingen aangeven die men ‘onder water’ kan proberen te ontwikkelen en uit te testen. De ‘spits’ probeert een teken te zijn voor de velen die dagelijks, in feite onbewust met interreligieuze ontmoeting en confrontatie bezig zijn.

6.   Theorieën van interreligieuze dialoog

Op het vlak van de theoretische interreligieuze dialoog, op het vlak van de theologie of de ontmoeting tussen theologen van verschillende religies zijn er drie visies ontwikkeld over de interreligieuze dialoog.

Exclusivisme is de oudste visie en gaat terug tot het begin van het christendom. Deze visie wordt samengevat onder de noemer ‘buiten de Kerk geen heil’ – om een goed christen te zijn moet men het gezag van de hiërarchie minimaal aanvaarden – en had te maken met de discussies in het vroege christendom over de eenheid van de Kerk en met de discussies tussen de orthodoxe en hiërarchische stromingen binnen de Kerk en allerhande schismatici, ketters, gnostici enz. Na Constantijn en de verspreiding van het christendom over het Romeinse rijk krijgt de term ‘buiten de Kerk geen heil’ een nieuwe betekenis. Niet enkel de ketters, maar ook al diegenen die niet-christelijk zijn, vallen buiten het heil. Deze dominante interpretatie binnen het katholicisme werd behouden tot in de 20ste eeuw.

Inclusivisme. In de loop van de 20ste eeuw, vooral na de Tweede Wereldoorlog stapte men af van de harde exclusivistische visie. Men stelde dat men wel enkel binnen het katholicisme tot een volle waarheid van God komt, maar dat de andere religies ook waarden hebben. Dit is de visie die op het Tweede Vaticaans Concilie aangenomen is o.a. in de verklaring Nostra Aetate van 1965: ‘Reeds vanaf de oudheid tot op de dag van vandaag wordt bij de verschillende volkeren een zeker besef gevonden van die geheime kracht die aanwezig is in de loop der dingen en in de gebeurtenissen van het menselijke leven. Soms zelfs een erkenning van een hoogste macht of ook van een vader. Dit besef en deze erkenning doordringen hun leven met een diepe religieuze zin… .De katholieke Kerk verwerpt niets van datgene wat in deze godsdiensten waar en heilig is. Met oprechte eerbied beschouwt zij (de Kerk) die gedragsregels en leefregels, die voorschriften en leerstellingen die, hoewel in veel opzichten verschillend van wat zij zelf voorhoudt en leert, toch niet zelden een straal weerspiegelen van de waarheid, welke alle mensen verlicht… ‘De Kerk echter verkondigt en moet zonder ophouden verkondigen, de Christus die de weg is, de waarheid en het leven in wie de mensen de volheid van het godsdienstig leven vinden en in wie God alles met zich heeft verzoend.’ Volgens het inclusivisme is er een zekere openheid, maar de volle waarde wordt in de eigen religie beleefd.

Pluralisme. In de loop van de jaren ’60 en de jaren ’70 kwam op beide visies heel wat kritiek, vooral van progressieve theologen. Er ontwikkelde zich een derde visie waarbij alle religies moesten gezien worden als evenwaardig en als wegen naar het heilige. Belangrijke theologen die deze visie hebben uitgewerkt zijn o.a. de anglicaanse theoloog John Hick, de katholieke theoloog Paul Knitter.

Besluit: wees én exclusivistisch én inclusivistisch én pluralistisch. Welke houding men aanneemt is afhankelijk van de positie en de doelstellingen. Exclusivistisch, als men de anderen probeert duidelijk te maken dat zijn eigen positie de beste weg is naar God. Inclusivistisch zijn, ook voor de verdieping van zijn eigen religie, is als men leert van de manier waarop andere religies het heilige benaderen. Wanneer men samen met anderen optrekt of wanneer men naar de geschiedenis van religie kijkt, moet men een meer afstandelijke, pluralistische benadering hanteren, waarbij men ieder zijn gelijk laat.

7.   Ontmoeting en confrontatie

Religie is niet enkel ontmoeting of een bron van broederschap, maar is ook confrontatie en een bron van haat en conflicten.

In feite fungeert religie vaak als begeleider en zelfs als motor van conflicten. De relatie tussen de christelijke, Europese wereld en de islamitische beschaving is meer dan 1000 jaar getekend door conflicten, met de religies als één van de motoren achter deze conflicten en confrontaties.

Dit is omdat religie als bron van identiteit en als kanaal van mobilisatie fungeert.
Bron van identiteit. Religie spreekt het hart van mensen aan, is symbool van eigenheid, van alles wat waarde heeft. Wanneer men dat aanvalt, voelt men zich bedreigt en beledigd. Vandaar dat blasfemie in de confrontatie tussen religies een belangrijke rol speelt en het bewust gehanteerd wordt om de confrontatie op te zoeken. Religie omvat het hele leven en heeft politieke en maatschappelijke consequenties. Juist omdat het enerzijds zo dierbaar is en tegelijkertijd alles omvat, komt religie vaak voor een hele gemeenschap te staan.
Belangrijkste kanaal van mobilisatie. Via religie bereikt men een hele bevolkingsgroep omdat die zich meestal identificeert met een religie. Religie heeft ook een ontzettend diepgaande infrastructuur met parochies die tot in elke localiteit aanwezig zijn.

8.   Wat te doen?

Aansluitend op de drie theorieën:
Noodzakelijk is zowel werken aan een overtuigende eigen benadering, als leren van anderen voor de eigen religie, als samen optrekken met anderen.

Er zijn vele vormen van dialoog. Men mag zich niet alleen inzetten op theoretische discussies.

Er gebeurt veel in de katholieke Kerk, maar er zou meer coördinatie moeten zijn om alles wat al gebeurt te verzamelen en vervolgens bekend te maken en om aan te vullen waar tekorten zijn.

Forum 3 maart 2007