Het evangelie en de kerkelijke traditie – Prof. Emilio Platti

Het evangelie en de kerkelijke traditie als leidraad voor de levensbeschouwelijke ontmoeting

Binnen de katholieke Kerk zijn de meest gezaghebbende teksten in dit verband die van het tweede Vaticaans Concilie. Opmerkelijk is daarbij dat zowel paus Paulus VI als Johannes-Paulus II zeer sterk in dezelfde lijn zijn doorgegaan, daarbij bijgestaan door de Pauselijke Raad voor Interreligieuze Dialoog, het vroegere Secretariaat voor de niet-christenen; met een speciaal bureau voor de relaties met de moslims[1]. Wat er wel op wijst dat de dialoog met moslims in het Secretariaat en de huidige Raad de meeste aandacht heeft gekregen.

De eerste tekst van het Concilie komt voor in de Dogmatische Constitutie over de Kerk (Lumen gentium), paragraaf 16, van 21 november 1964: “…het  (goddelijk) heilsbesluit omvat ook degenen die de Schepper erkennen, en onder hen op de eerste plaats de Moslims, die verklaren aan het geloof van Abraham vast te houden en samen met ons de éne barmhartige God aanbidden, die op de jongste dag de mensen zal oordelen“.

De tweede tekst is algemeen bekend. Hij dateert van 28 oktober 1965. Het is de derde paragraaf van de Verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten (Nostra Aetate). Die tekst verdient de nodige aandacht, want wanneer we hem van nabij bekijken, dan ontdekken we al spoedig dat hij zoniet woordelijke dan toch impliciete referenties naar de Koran bevat.

De Kerk ziet ook met waardering naar de Moslims,
die de ene God aanbidden, de levende en uit zichzelf bestaande,
[kor. 2, 255: God, er is geen god dan Hij, de levende, de standvastige (of: die uit zichzelf bestaat)]
de barmhartige en almachtige, 
[kor. 26, 9: jouw Heer is werkelijk de machtige (al-‘aziez), de barmhartige (ar-rahiem)]
de Schepper van hemel en aarde, 
[kor. 6, 1: Lof zij God die de hemelen en de aarde heeft geschapen]
die gesproken heeft tot de mensen.
[kor. 96, 5: (God) heeft de mens onderwezen wat hij niet wist].
Zij leggen zich erop toe zich met heel hun hart ook aan zijn verborgen raadsbesluiten te onderwerpen 
[kor. 87, 3: (Prijs de naam van jouw Heer), die geordend heeft (d.i.: wiens raadsbesluit het lot der mensen bepaalt) en de goede richting heeft gewezen]
zoals Abraham, naar wie het islamitisch geloof graag teruggrijpt, zich aan God heeft onderworpen
[kor. 2, 131: Toen de Heer tot hem (Ibrâhiem) zei: “Geef je over” (of: onderwerp je: “aslim“), zei hij: “Ik geef me over (of: ik onderwerp mij: “aslamtu“) aan de Heer van de wereldbewoners”].
Hoewel zij Jezus niet als God erkennen, vereren zij Hem toch als profeet 
[kor. 61, 6: ‘Îsâ (Jezus), de zoon van Marjam zei (…): Ik ben de gezant van God (rasoel Allâh)]
en zij eren zijn maagdelijke moeder Maria, die zij somtijds zelfs eerbiedig aanroepen
[kor. 19 (soerat Marjam), 20: Zij zei: “Hoe zou ik een jongen krijgen, terwijl geen mens mij aangeraakt heeft?”].
Bovendien verwachten zij de dag van het oordeel, 
[kor. 1, 2, 4: Lof zij God, (…) de heerser op de oordeelsdag]
wanneer God alle mensen doet verrijzen en zal vergelden
[kor., soera 75, soerat al-Qijâma: “de opstanding”].
Daarom houden zij het zedelijk leven hoog
en eren God vooral door gebed, aalmoezen en vasten”.
[kor. 9, 71: Maar de gelovige mannen en vrouwen zijn elkaars medestanders, zij gebieden het behoorlijke, verbieden het verwerpelijke, verrichten de Salaat (het ritueel gebed) en geven de Zakaat (de solidariteitspenning); kor. 2, 183: Aan jullie is voorgeschreven te vasten (as-Sijaam)…].
De tekst eindigt met de volgende aansporing: “Waar in de loop der eeuwen tussen Christenen en Moslims niet weinig onenigheid en vijandschap is ontstaan, spoort de Heilige Kerkvergadering allen aan om, het verleden vergetend, zich ernstig toe te leggen op wederzijds begrip en in het belang van alle mensen de sociale gerechtigheid, de zedelijke goederen alsook vrede en vrijheid gezamenlijk te verdedigen en te bevorderen”.

Zoals gezegd, hield paus Johannes-Paulus op 19 augustus 1985 een memorabele toespraak tot de jonge Marokkanen in het stadium van Casablanca, waarin hij ondermeer in volgende bewoordingen de moslims toesprak:
De katholieke Kerk respecteert en erkent de kwaliteit van jullie religieuze levenshouding, en de rijkdom van jullie geestelijke traditie. Wij, christenen, zijn ook fier op onze geestelijke traditie. Ik ben ervan overtuigd dat wij, christenen en moslims, met vreugde de waarden moeten erkennen die wij gemeenschappelijk hebben en daarvoor God moeten danken. Wij geloven beiden in één God, de Enige God, die Gerechtig is en Barmhartig; wij geloven in het belang van het gebed, van het vasten, van de aalmoes, van de boete en de vergeving; wij geloven dat God op het einde der tijden een barmhartige Rechter zal zijn, en wij hopen dat wij Hem, na de verrijzenis, mogen believen; wij weten immers dat Hij zal beantwoorden aan onze verwachtingen[2].

Op te merken valt dat Johannes-Paulus II onrechtstreeks verwijst naar de teksten van het Concilie, het geloof in eenzelfde ene God affirmeert en verwijst naar de “goede werken”, as-salihaat, waarop ook de Koran enorm de nadruk legt. Tweeënzestig keer komt het woord voor in de koran, en ondermeer in kor. 2, 82: “Maar zij die geloven en de deugdelijke daden verrichten, zij zijn het die in de tuin (d.i. het paradijs) thuishoren…“.

Wanneer wij teruggrijpen naar die toespraak van Johannes-Paulus II in Casablanca, dan zien we reeds enkele kritische opmerkingen opdagen, die uiteraard nog ver staan van het negatieve beeld dat Jacob van Maerlant ophing:
“Om eerlijk te zijn moeten wij ook de verschillen tussen ons erkennen en eerbiedigen. Het meest fundamentele verschil tussen ons ligt wel in de manier waarop wij het leven en werk van Jezus van Nazareth bekijken. U weet dat die Jezus, volgens de christenen, binnenvoert in een diepere kennis van Gods Mysterie en zij in het zoonschap delen in zijn Gaven, zodanig dat zij hem erkennen als Heer en Verlosser. Dit zijn zeer belangrijke verschillen, die wij moeten aanvaarden met ootmoed en respect, in wederzijdse verdraagzaamheid. Daarin ligt een Mysterie vervat dat God eensdaags zal ophelderen; ik ben er zeker van. Wij, christenen en moslims, wij hebben mekaar meestal slecht begrepen. In het verleden zijn we soms tegenover mekaar gaan staan; wij hebben ons uitgeput in polemieken en oorlogen. Ik geloof dat God ons nu uitnodigt onze oude gewoontes te veranderen. Wij moeten elkaar respecteren en mekaar aanzetten te ijveren voor wat goed is, op de weg van God.

In zijn boek Over de drempel van de hoop[3], komt de paus terug op de kritiek die hij heeft; hij zegt het in feite wat scherper, maar ook daar behandelt hij alleen het theologisch aspect van de openbaring:
Iedereen die met kennis van het Oude en het Nieuwe Testament de Koran leest, ziet duidelijk het proces van terugdringen van de goddelijke openbaring dat zich voltrokken heeft. Het is onmogelijk dat men niet opmerkt dat afstand genomen wordt van wat geopenbaard is door de mond van de profeten en vervolgens definitief bij monde van zijn Zoon in het Nieuwe Testament. Die hele rijkdom van de zelfopenbaring van God, die het erfgoed is van het Oude en Nieuwe Testament, is in de islam ter zijde geschoven. Aan de God van de Koran worden enkele van de mooist denkbare namen gegeven waarover de menselijke taal beschikt, maar hij blijft een god buiten de wereld, een god die alleen majesteit is, nooit Emmanuel, God met ons. De islam is geen godsdienst van de verlossing. Daar is geen ruimte voor het kruis en de verrijzenis […]. Het drama van de verlossing ontbreekt er totaal…“.

Uit het boek “Islam, van nature een vijand?”

Van een gevoel van vreemdheid naar multiculturele bezorgdheid, zijn we ondertussen bijna aan de obsessie toe van “Islam“. De kwaliteitskrant “De Standaard” voelt zich geroepen om 15 bijlagen over allerlei aspecten van islam aan te kondigen, met als “toetje” een gratis koranexemplaar…; en tot in de uithoek van mijn geboorteplaats Ronse wil iemand een tentoonstelling opzetten over islam.
De reden van die evolutie is niet ver te zoeken: sinds 1979-1980 is de beweging van de ideologische en militante islam wereldwijd onder de publieke aandacht gekomen; ondermeer met Khomeini en de moord op president Anwar as-Sadât in 1981; het vervolg kennen we…
Deze beweging gaat gepaard met een verkrampte identiteitsaffirmatie, een onverholen assertiviteit en – wat natuurlijk het meest opvalt – agressiviteit.

Aan de basis daarvan liggen een aantal ideologieën, waaronder het Saoedisch Wahhabisme, het salafisme van het Egyptisch moslimbroederschap en het Pakistaanse islamitische Revival, die aan deze identiteit zeer scherp omlijnde trekken geven. Voor hen bestaat er alleen een onhistorische, wezenlijke, islam, die met lokale culturen geen uitstaans heeft. Dit was precies de kritiek op Wahhabisme en Salafisme waaraan voormalig president van Indonesië ‘Abderrahman Wahid, GusDur, uiting gaf in een onderhoud dat we met hem hadden vorige zomer: “De Indonesische Islam is in onze cultuur verankerd, maar het zijn die Wahhabitische en Salafi-bewegingen die onze islamitische cultuur bedreigen door aan alle moslims  eenzelfde standaardmodel te willen opleggen

Dikwijls lopen we hier in het Westen in de ideologische val die president Wahid precies omschreef, wanneer we vragen: “Wat zegt dé Islam over…?”; want dan stellen we ons op hetzelfde essentialistische standpunt. Deze ideologen achten de Sharie’a, de goddelijke Wet eenzinnig, niet vatbaar voor tijd en ruimte. Vandaar dat de liberale Tunesische denker Mohammed Talbi durfde te stellen: “Moslims moeten kiezen: ofwel (die statische) Sharie’a, ofwel Islam“! Islam wordt dan gezien als een existentiële positieve houding ten overstaan van het menselijk leven, een vertrouwensvolle aanvaarding van het leven uit Gods hand, begeleid door een rechtgeaardheid die niets weg heeft van farizeïsme en wettisch rigorisme.
In dit verband wil ik wijzen op een enorm misverstand betreffende “Islam en Christendom“. Iedereen weet dat de koran de voornaamste dogma’s, als articulatie van het christelijk geloven, afwijst. Daaruit trekt men de conclusie dat alleen dààr het probleem ligt tussen islam en christendom. Bij een lezing over het islamitische en christelijk mensbeeld in een wijkmoskee in Parijs, is de eerste vraag: “ja, maar wat met de Triniteit?” En in Louvain-la-Neuve vragen enkele moslimstudenten in mijn klas naar het statuut van Christus, de Zoon van God…

In feite ligt dààr niet het grondthema van de discussie. In het nu beroemde dispuut van keizer Manuel Paleologus met een moslimleraar waaruit paus Benedictus op onhandige wijze één zin heeft gehaald over geweld, gaat het verder om het statuut van de WET in islam en christendom. En dàt is inderdaad het dieperliggend probleem.

Doorheen heel de geschiedenis van disputen tussen moslims en christenen komt voortdurend de hele vraag naar voren van het statuut van de drie Wetten, of, als je wil, de drie testamenten: de Mozaïsche, de Christelijke en de Islamitische Wet waarop de drie openbaringsgodsdiensten zouden berusten.
Reeds vanaf de kerkvader Johannes Damascenus, en christelijke Arabische schrijvers uit de middeleeuwen, tot en met Manuel en vele anderen, hebben christenen voorgehouden dat de zogenaamde Wet van het christendom de Mozaïsche Wet heeft overtroffen naar de Geest, en dat de islamitische Wet de vrijheid miste die het christendom voorhield.

Antoon Vergote stelt in Moderniteit en christendom, dat het concreet ethisch handelen door de rede wordt bepaald en niet door religie. “Er bestaat geen specifiek christelijke ethiek“, wél een transcenderen van de natuurwet in de Geest… Velen schijnen dat nog niet te hebben ingezien, en identificeren christenen met heel bepaalde morele voorschriften..

Men mag niet vergeten dat de tragiek van Jezus erin lag de schriftgeleerden die de Joodse Wet in alle details wilden navolgen, voor te houden dat alleen de geest van de Wet telde en hij dan ook de letterlijkheid van hun Wet als onmenselijk heeft bestempeld. Die letterlijke Wet van Mozes is afgeschaft, besnijdenis incluis: en in dat verband moet inderdaad gewezen worden naar het feit dat Paulus in de Galatenbrief daarin is verdergegaan en de christen het zoonschap toeschreef dat Jezus zelf karakteriseerde! De vrijheid ten overstaan van de eerste Wet is dan ook dé karakteristiek van het christendom. En ik denk dat de vrijheid van het zgn. Westen een rechtstreekse erfenis is van deze radicale opstelling.

Middeleeuwse moslims antwoordden daarop dat islam een middenweg heeft gezocht tussen het voor hen veel teveel vergeestelijkte ideaal van het christendom, en de noodzakelijkheid van de fundamentele geboden die voorwaarde zijn van menselijkheid; mét daarbij een aantal concrete wetsvoorschriften die de islamitische cultuur karakteriseren. Islam werd dan ook door hen beschreven als de Middenweg.

Moderne moslimauteurs stellen dan ook dat het evangelische “geef aan de keizer wat hem toekomt en God wat Hem toekomt” een veel te ver gaande autonomie geeft aan de mens.

In de gouden tijd van de islamitische beschaving, de tijd van de grote keizerrijken, heeft dit alles niet echt tragische consequenties gehad. Dit wordt echter anders wanneer het Westen de autonomie van mens en wereld verder gaat doortrekken. Kenners van de evolutie in de islamitische wet hebben onderstreept hoe op een bepaald moment tussen de achttiende en de negentiende eeuw zich een verstarring heeft voorgedaan, waardoor de jurisprudentie tot stilstand kwam. Terwijl in het Westen het dynamisme losbarstte.

Daarvan is in feite de huidige islamitische identiteitsverkramping een gevolg. Zoals sommige liberale moslimdenkers het aantonen, leidde dit in bepaalde ideologische stromingen tot juridisme, casuïstiek en “farizeïsme”. Islam verwordt tot een strict omschreven en rigoristisch beschreven gedragscode. Sommige moderne moslims zullen het Paulus nu meer dan ooit aanwrijven de oorzaak te zijn van de evolutie van het christendom naar wetteloosheid en decadentie in het huidige Westen. Voor moslims blijkt dat echter niet de enig mogelijke te bewandelen weg te zijn.

Met dit alles voor ogen komen we nu tot een discussie over de sluier, hidjaab of niqaab, burqa of tsjador, of hoe men die ook wil noemen…waarbij ik twee sterk uiteenlopende standpunten wil naar voren brengen.

Vooreerst echter een verwijzing naar een tekst die ik onlangs op Internet op de belangrijke site van Islamonline, heb gevonden. De auteur is een Belgische bekeerlinge tot de Islam, Eva Vergaelen. In de context van de discussies over de sluier, de hidjaab, en in de maand waarin in Groot-Brittanië ministerieel verzet was gerezen tegen een muslima die met de niqaab, die het gezicht verbergt, als leerkracht voor de klas stond, stelde Eva Vergaelen dat België in 1974 de Islam had erkend, en uitgaande van de vrijheid van godsdienst die in de grondwet geschreven staat, de consequenties moest trekken, en dan ook de sluier moest toestaan. De juridische commentaar daarover laat ik over aan collega Marie-Claire Foblets – en in het bijzonder het onderscheid “godsdienst” en “eredienst”.

Nu heb ik persoonlijk wel niets tegen de hidjaab, maar wél tegen een aangebracht argument: de hidjaab wordt aanzien als integraal deel van de islam; zoals iemand zegt: “Je kan niet gaan inkopen doen en kiezen wat je belieft in uw godsdienst“. Bepaalde gedragsregels en religie worden geïdentificeerd. Dààr ligt de bron van het hedendaagse onbehagen en onbegrip!

Dat “dé islam” daarover een duidelijke mening zou hebben, stel ik ten zeerste in vraag. In het kader van een reformistische tendens in Egypte in het begin van de twintigste eeuw, waarin Egypte eindelijk onafhankelijk werd, heeft mevrouw Hoda Sha’rawî in 1921 op symbolische wijze de niqaab afgedaan en heeft zich ontsluierd: zij verscheen dan als een “moderne, geëmancipeerde vrouw”.

De overgang van niqaab naar volledige ontsluiering is een grote stap, en de hidjaab is daarvan een tussenstap. Nu echter ook de niqaab terug aan de orde is, wil ik toch even twee fatwa’s, juridische geauthoriseerde uitspraken van eminente geleerden, vermelden.

De eerste komt van een Egyptische imam van het begin van de twintigste eeuw, de reformist Muhammad ‘Abduh (gest. 1905) de meest vooraanstaande mufti van Egypte uit die tijd. Volgende stellingen werden naar voren gebracht meer dan honderd jaar geleden door een moslimauthoriteit die de redelijkheid als principe huldigt en in feite zegt dat men zijn gezond verstand moet gebruiken:
– Er is geen tekst voorhanden in de Sjarie’a die het sluieren van het aangezicht voorschrijft, zoals dat in die tijd gebruikelijk was: het is een gewoonte die moslims hebben aangenomen.
– De Koran schrijft voor dat de vrouw zich schroomvol zal bedekken, wat echter niet betekent dat zij handen of aangezicht niet zou vrijhouden.
– De Sjarie’a heeft de vrouw dezelfde rechten verleend als aan de man.
– Zij heeft het recht haar goederen te beheren: hoe kan ze een contract sluiten als men ze niet eens kan herkennen?
– Zij mag handeldrijven en aan het productieproces deelnemen; hoe zou ze dat kunnen met het gezicht bedekt?
– En hoe kan ze dan in een rechtszaak verschijnen?
– Voordat ze huwen moeten de verloofden elkaar kunnen zien!
Reformisten zullen daar later uit besluiten dat alleen schroom is voorgeschreven (volgens de soera van het Licht (24), verzen (30-31) en men zich dienvolgens moet kleden…
Dat heeft Hoda Sha’rawî dan ook gedaan in 1921.

Heel anders is de commentaar op het bovengenoemde vers van de koran komende van de meest vooraanstaande militante ideoloog van Pakistan, Mawdoedî (gest. 1979), voornaamste inspirator van de terugkeer naar een stricte islamitische identiteit, meer dan vijftig jaar nà ‘Abduh:
– De sluier, Jilbâb genoemd in de Koran, moet het hele gezicht bedekken.
– Dit is een goddelijk bevel.
– Het is hypocriet iets anders voor te houden.
– Wie zo’n goddelijk bevel overtreedt, denkt dat de Koran als leidraad voor gedragsregels, het verkeerd voorheeft.

Het hoeft geen betoog dat heel wat gedragsregels die nu als absoluut islamitisch worden voorgehouden, uit deze hoek komen, en helemaal niet de absoluutheid genieten die hen wordt toegeschreven, wanneer men de tendens naar letterlijkheid als grond voor identiteitsaffirmatie in acht neemt. Sommige liberale moslims gaan zover deze enge visie op islam als schizofrenie te beschrijven.

Uit dit betoog volgt tenslotte ook dit besluit: dat multiculturaliteit grenzen heeft en men zomaar niet alles moet slikken dat zich voordoet als religieuze gedragsregel. Anders ware Jezus nooit op het kruis gestorven…!

Een bredere contextuele visie op de Koran en de Sjarie’a dringt zich op, en het heeft geen zin zich door Wahhabi of Salafi-doctrines te laten overdonderen. De spirituele en ethische dimensies van islamitisch geloven zijn van een heel andere aard; en dat soort islam, naar de trant van Muhammad ‘Abduh, verdient ons respect en is trouwens open voor dialoog met christendom en moderniteit…

Vorige donderdag en vrijdag stelde de liberale én gelovige Egyptische korankenner Nasr Hâmid Aboe Zayd dat de nieuwe identiteitsaffirmatie met politieke implicaties in feite de ziel van islam als spiritualiteit en ethiek geweld aandoet. En hij is niet de enige. Een Algerijnse journalist Ahmed Halli zegt precies hetzelfde op een brutale manier: Moslims zoeken niet meer zich geestelijk te verheffen, zij houden liever de vinger op de trekker van het geweer.
Ik denk dat we in overdreven multiculturalisme deze gematigde en liberale moslims niet in de rug mogen schieten.

Forum 3 maart 2007

 



[1] GIOIA, Francesco (ed.), Interreligious Dialogue. The official Teaching of the Catholic Church (1963-1995), Boston, 1997, p. 81 (wij verwijzen verder naar de nummers van dit boek).

[2] Pro Dialogo Bulletin 1985-XX/3 (Città del Vaticano), p. 247.

[3] Paus Johannes Paulus II, Over de drempel van de hoop, A’dam-Antwerpen, 1994, p. 96-97.