Inleiding – Mgr. Guy Harpigny

Forum 1 maart 2008
Levensbeschouwelijke ontmoeting Interdiocesaan Pastoraal Beraad


I.
Hoe komt het dat we in 2008 in dialoog willen treden met mensen van andere godsdiensten en met mensen die een andere levensbeschouwing hebben?

Sinds de 2de wereldoorlog is de bevolking in Vlaanderen en in Brussel erg gewijzigd:
– Er zijn veel meer allochtonen.
– We leven in een regio en een gemeenschap die steeds maar rijker wordt.
– Er is een nieuwe aanpak naar de toekomst toe op politiek gebied (hervorming van de Staat of een nieuwe Staat).
– Er is de verwachting dat iedereen in Vlaanderen en in Brussel tenvolle als Vlaming moet kunnen leven: met een eigen taal, eigen cultuur, eigen plaats in Europa en in de wereld;

Die veranderingen hebben positieve effecten gegenereerd:
– Er is vrede tussen de mensen (het is geen oorlog tussen de allochtonen en de autotochtonen): soms zijn er wel enkele problemen op lokaal vlak.
– Er zijn heel weinig arme mensen (als men een vergelijking maakt met andere streken of gemeenschappen).
– De bevolking is toekomstgericht: iedereen wil iets doen voor de gemeenschap.
– Er is een reële vernieuwing van de opvoeding (in de scholen), van de cultuur en, in het algemeen, van de samenleving vast te stellen.

Sinds de jaren 1960 vonden er andere veranderingen plaats, niet alleen in Vlaanderen of in Brussel:
– De opvattingen over het gezin.
– Men is op zoek naar geluk, en geluk wordt over het algemeen sterk verbonden met persoonlijke vrijheid.
– De opvattingen over de waardigheid van de mens: natuurlijk steeds in de lijn van de mensenrechten (1789 en 1948) maar toch ook met een sterkere nadruk op de verantwoordelijkheid van de vrouw voor het doorgeven van het leven, en het leven als gave. En ook met betrekking tot de visie op kwesties rond het einde van het menselijk leven.
– Het leven doorgeven is ook sterker in de handen van de wetenschap gekomen. Het is niet alleen meer een zaak van twee ouders die samenleven; het leven geven, kinderen hebben is een recht geworden, zelfs voor mensen die alleen leven.
– Veel nieuwe migranten komen naar Vlaanderen en Brussel: vanuit Congo en de oude kolonies; anderen vanuit een aantal landen in Afrika; vanuit Centraal- en Oost-Europa; het Midden-Oosten; uit Azie (Kazakstan, enz.), Indië, de Filippijnen, China (zonder papieren; met betogingen in enkele kerken in Vlaanderen en in Brussel).
– Natuurlijk is er nog meer veranderd maar dit overschrijdt de bedoeling van deze inleiding.

Tot nu toe heb ik niet over religieuze overtuigingen of filosofische levensbeschouwingen gehad. Wat is hierrond gebeurd?
– Het aantal katholieken in Vlaanderen en in Brussel neemt al lang af.
– Het aantal moslims groeit sinds de jaren 1960.
– Het aantal vrijzinnigen, verbonden met de Centrale Raad van de Vrijzinnigheid, neemt toe.
– Nu treft men ook hindoes en boeddhisten aan en aanhangers van traditionele godsdiensten.
– Het aantal evangelische christenen groeit.

Tot de erediensten in België door de grondwet erkend behoren: de katholieke kerk (1831), de protestanten (1831), de Joden (1831), de anglicanen (1835), de moslims (1974), de orthodoxen (1985) en in 1993 de vrijzinnigen die een band hebben met de Centrale Raad van de Vrijzinnigheid. De boeddhisten, de hindoes, en nog anderen hebben hun  erkenning aangevraagd.

Door de Verlichting in de XVIIIde eeuw kreeg ieder burger het recht toebedeeld lid van een erkende godsdienst te worden. Maar de kinderen van de Verlichting zeggen ook dat het geloof een privé-zaak is. Langzamerhand is het de Staat die zegt wat ethisch of niet ethisch is. We ondervinden dat de gelovigen « als gelovigen » of « als leden van een godsdienst » minder invloed hebben op de maatschappij, op de Staat. Het zijn de politici die, sinds een aantal jaren, in een parlement, over het goede (wettelijk gezien) en het kwade (wettelijk gezien) beslissen.

Laatste bemerking: de zwakte van de katholieke kerk:
– Het aantal katholieken in Vlaanderen en in Brussel neemt af.
– Een kleiner aantal ‘noemt’ zich uitdrukkelijk katholiek.
– Het aantal dat zich als actief lid van de katholieke kerk‘voorstelt’ is nog kleiner.
– Als we proberen de echte katolieken te vinden, katholieken die zich in de opdracht van de kerk inschakelen, als getuigen van Christus, leden van het volk van God, tempels van de heilige Geest, leerlingen van Christus die volgens het Evangelie willen leven, die met de andere christenen de Verrezene vieren op zondag, die het geloof kennen, die de sacramenten vieren, die dagelijks bidden, moeten we soms lang zoeken.
– Zowel in de katholieke scholen, de katholieke ziekenhuizen, de jeugdbewegingen als in andere vormen waarin de diaconie van de kerk gestalte krijgt, vindt men katholieken en niet katholieken.

Een eerste besluit bij dit eerste punt van de inleiding:

We leven als katholieken en als katholieke kerk samen met mensen die een andere levensbeschouwing hebben. We moeten dus geen oproep doen om als katholieken van Vlaanderen en Brussel andere levensbeschouwingen te ontmoeten. Die katholieken ontmoeten andere levensbeschouwingen in hun eigen familie, op school, waar ze werken, gedurende hun vrije tijd, overal.
Een pastorale aanbeveling om met andere levensbeschouwingen in contact te treden is niet nodig want we komen de andere levensbeschouwingen overal tegen.
Ik heb soms de indruk – ik spreek niet voor Vlaanderen of voor Brussel – dat we nog niet hebben ingezien dat we als katholieken een minderheid zijn en als gelovigen verplicht zijn naar de diepte van ons geloof te peilen.
Onze ontmoeting met andere levensbeschouwingen maakt deel uit van ons getuigen van Christus als leden van de katholieke kerk.

II. Vanuit het christelijk geloof

Tot de IVde eeuw zijn de christenen een kleine gemeenschap in het Romeinse keizerrijk. De christenen van toen hadden eerbied voor het gezag van het keizerrijk, maar weigerden de liturgie van het keizerrijk.

De christenen geloven in één God; de anderen hebben een pantheon.
De christenen geloven dat God de schepper is van al wat bestaat.
De christenen geloven dat Christus de enige bemiddelaar is van het heil van de wereld.
De christenen hebben hun eigen liturgie, op zondag.
De christenen aanvaarden mensen die zich bekeren tot Christus, door sacramentele initiatie.
De christenen leven zoals de andere mensen die andere levensbeschouwingen hebben, maar ze volgen als levenswet het evangelie, de geboden van God, de brieven van de apostelen.
De christenen zijn ervan overtuigd dat hun gemeenschap het teken is van het heil van Christus.

Tot de IVde eeuw zijn er weinig christenen, maar we weten dat er toch grote christelijke gemeenschappen in veel steden bloeiden.

Die mensen zijn leerlingen van Christus, de enige bemiddelaar van het heil van God.

Ze hebben ook moeilijke vragen over de plaats van het jodendom in het plan van God. Ze vragen zich af hoe de mensen van toen de waarheid kunnen vinden door de schepping, in het menselijk leven, in de openheid op de toekomst, in een eeuwig leven zelfs na de dood.

Enkele kerkvaders spreken over de « logos spermatikos » of over de Geest die overal blaast.

Die christenen weten goed dat ze niet de meerderheid zijn, maar ze zijn ervan overtuigd dat ze een teken zijn van het werk van God in de schepping, in de wereld, in het menselijk leven.

En de andere godsdiensten? Hoe kan men ze begrijpen? Zijn ze niet nutteloos? Men vindt wel enkele antwoorden, maar men vindt vooral dat ze de waarheid niet kennen.

Vanaf de IVde eeuw mogen de christenen in West-Europa in het openbaar van hun geloof getuigen. Op het einde van de IVde eeuw worden ze zelfs de enige godsdienst in het Romeinse keizerrijk. De evangelisatie van het niet stedelijk gebied zal eeuwenlang duren. Er is geen sprake van dialoog met andere godsdiensten.

In de XVIde eeuw ontstaat er een kloof tussen lutheranen, gereformeerden, katholieken en andere christenen. Er is geen sprake van dialoog. En de evangelisatie breidt zich uit over de hele wereld. De ontmoeting met de traditionele godsdiensten van Zuid-Amerika, Afrika en Azie (Indie, China, Japan) roept nieuwe vragen op over het heil van mensen die niet gedoopt zijn, want er is nog geen sprake van de betekenis van andere godsdiensten in het plan van God.

Sinds de Verlichting is een menselijk leven « zonder God », zonder openbaring, zonder een wet van God denkbaar. Het wordt mogelijk een vrij mens te zijn in een maatschappij die wetten stemt zonder dat ze een band hebben met de wetten die van God komen.

Een nieuwe manier om aan geschiedenis te doen, als wetenschap, geeft een andere kijk op de godsdiensten, hun teksten, hun wetten, hun geloof, hun liturgie en hun vieringen.

Tweede besluit:

Men kan niet spreken over een dialoog tussen de kerk en de andere godsdiensten. Er is wel een dialoog tussen christenen en leden van andere godsdiensten of levensbeschouwingen. De kerk is ervan overtuigd dat ze als opdracht heeft te evangeliseren.

III. Vaticanum II: Evangelisatie en dialoog

Met Vaticanum II (1962-1965) vraagt de katholieke kerk in dialoog te treden met iedereen, met alle religieuze gemeenschappen en ook met mensen die ongelovig zijn.

Vaticanum II geeft een synthese van het christelijk geloof vanuit het plan van God, zoals het in de openbaring, de schrift en de traditie is meegegeven.

Ik ben altijd verbaasd vast te stellen dat de concilievaders het altijd hebben over het woord van God (« Dei Verbum ») en over het geloof als het ontvangen van het woord van God. De mens is geschapen als iemand die het woord van God kan horen en, daarna, dat woord kan ontvangen, begrijpen, in een persoonlijke relatie van liefde. De mens is niet alleen iemand die ontvangt maar ook iemand die naar het geluk, de liefde zoekt. Met andere woorden: de mens is gedurende heel zijn leven iemand die naar de waarheid zoekt en, wanneer hij de waarheid heeft gevonden, plotseling ziet dat God sinds het begin allang naar hem op zoek was.

Vanuit deze ervaring, spreekt Vaticanum II over de religieuze vrijheid van iedere mens. Opgelet: over de religieuze vrijheid van een mens, een geweten; over het zoeken naar de waarheid van een geweten. Nooit spreekt Vaticanum II over de waarheid van een godsdienst. De waarheid is Christus zelf, het woord van God; wij zoeken naar Christus onder de invloed van de Heilige Geest.

De religieuze vrijheid (« Dignitatis humanae ») is een basis voor de dialoog met mensen van andere godsdiensten en andere levensbeschouwingen.

Iedereen, christen of niet christen, zoekt naar de waarheid, naar het geluk, naar het goede.

Het plan van God wordt in Jezus Christus duidelijk. « Lumen Gentium » spreekt over het Rijk van God, over Christus als sacrament van het mysterie van het Rijk van God; over de kerk als sacrament van Jezus Christus, schepper en verlosser. Als leden van de kerk hebben we de opdracht Christus aan de hele wereld te verkondigen. Evangelisatie is de voornaamste opdracht van de kerk en van elke leerling van Christus.

Als we « Gaudium et Spes », de kerk in de wereld van deze tijd, lezen, dan zien we onmiddelijk dat de kerk altijd probeert het licht van het woord van God te laten schijnen over alle problemen en realiteiten van vandaag in de maatschappij. Evangeliseren is altijd de mogelijkheid geven om God te ontmoeten en om een beslissing, een persoonlijke beslissing te nemen, tegenover het woord van God.

Dialoog met mensen van andere godsdiensten of levensbeschouwingen is een facet van de evangelisatie.

In de verklaring « Nostra Aetate », over de houding van de kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten, vinden we niets anders:

« Bij haar opdracht om de eenheid en de liefde tussen de mensen en zelfs tussen de volkeren te bevorderen, schenkt de Kerk hier allereerst aandacht aan datgene wat de mensen gemeen hebben en hen tot onderlinge lotsverbondenheid leidt. Alle volkeren toch vormen één gemeenschap; zij hebben één oorsprong, daar God heel het menselijk geslacht over de gehele oppervlakte van de aarde deed wonen; zij hebben één einddoel: God, wiens voorzienigheid, bewijzen van goedheid en heilsbesluiten zich uitstrekken tot allen, totdat de uitverkorenen verenigd zullen worden in de heilige stad, die door Gods luister verlicht zal worden en waar de volkeren in haar licht zullen wandelen. De mensen verwachten van de verschillende godsdiensten een antwoord op de verborgen raadselen van het mens-zijn, die evenals vroeger ook thans de harten van de mensen diep beroeren: Wat is de mens ? Wat is de zin en het doel van het leven? Wat is goed en wat is zonde? Wat is de oorsprong en wat de zin van het lijden? Welke is de weg naar het ware geluk? Wat is de dood, het oordeel en de vergelding na de dood? Wat is tenslotte dat laatste, onuitsprekelijke mysterie dat ons bestaan omsluit, waaraan wij het ontstaan danken en waarheen wij op weg zijn? » (NA 1).

De pauselijke raad voor de niet-christenen (1964) werd opgericht nog tijdens Vaticanum II. Die raad sprak over dialoog met mensen en personen. Daarna kwam er een studie over de opdracht tot evangelisatie en dialoog. Vervolgens kwam er nog een studie over de godsdiensten. En tenslotte leidde dit tot een raad voor de interreligieuze dialoog.

De verklaring « Dominus Jezus », van 2000 (Congregatie van de geloofsleer) stelt een ernstige vraag: wie een dialoog begint zonder aan evangelisatie te werken is ernaast. Het is onmogelijk dat de opdracht van de Verrezene op het einde van Mattheus plotseling geen zin meer heeft. Het is onmogelijk dat de kerk een weg is naast andere wegen, om het heil te ontvangen. Het is onmogelijk dat er een verschil bestaat tussen de historische Jezus en de Verrezene, tussen een bepaalde heilseconomie voor deze wereld en een andere heils- economie in de andere godsdiensten. Het is onmogelijk dat de economie van de Heilige Geest een andere economie zou zijn en tegenover de economie van Jezus Christus zou staan. De huidige kerk is een levend teken van het mysterie van het plan van God voor alle tijden.

Met andere woorden: Christus is de enige bemiddelaar van het heil van God voor deze wereld.

Dus moeten de theologen verder werk maken van hun reflectie over de betekenis van de godsdiensten.

Na twintig jaar spreekt de kerk weer over rede en geloof. Waarom? Omdat ieder mens voortdurend op zoek is naar de waarheid, naar het geluk. Ieder mens heeft een rede. De rede is een gave van God. Wie de rede volgt kan naar God luisteren en God vinden in de schepping, in de ontmoeting met andere mensen, in andere levensbeschouwingen.

Voor ons, in Vlaanderen en Brussel, is het soms moeilijk een wereldvisie over de andere godsdiensten te krijgen. Ik lees in de kranten dat de moslims in België niet zoals die van Saoedi-Arabië leven of denken. In een zekere zin is het waar. Maar men moet ook begrijpen dat sommige studies die de islam benaderen als een wereldgodsdienst niet alleen over de ervaringen in Vlaanderen of in Brussel spreken maar ook over de relaties tussen christenen en moslims in het Midden-Oosten. Ik denk bevoorbeeld aan « Erga Migrantes Caritas Christi » (2004) (de kwestie van de wederkerigheid) en aan de discussie over het omgaan met de heilige plaatsen.

Hier hebben we misschien ervaringen met gemengde huwelijken. Iedereen weet dat de partner die zich niet goed vindt in zijn geloof zal leven alsof hij geen geloof heeft. Wij mogen dan niet over een ontmoeting spreken.

Derde besluit:

Wie een andere levensbeschouwing ontmoet begint een dialoog, om een mens, een godsdienst, een filosofische beweging te leren kennen. Maar een dialoog heeft niet alleen met kennis, met « wetenschap » te maken. Als men andere levensbeschouwingen ontmoet is het ook om met mensen te leren « samenleven ». Het is ook leren op zoek gaan  naar de waarheid over de mens, over het leven.. De waarheid die God ons aanbiedt. Op die weg is het mogelijk dat wij onze eigen traditie opnieuw herontdekken. Het kan gebeuren dat wij de andere traditie zo mooi vinden dat wij vragen stellen over ons eigen geloof, het leven van de kerk. Soms vinden we onvermoede realiteiten.

+ Guy Harpigny,
Bisschop van Doornik