Stapstenen – Prof. Roger Burggraeve

Stapstenen voor een groei-ethisch pastoraal denken omtrent homoseksualiteit

Start bij het officieel kerkelijke standpunt

Over homoseksuele praktijk wordt in het kerkelijke standpunt telkens herhaald dat het ‘intrinsiek ongeordend’ is. Daarmee wordt niet gezegd dat het schuldig is, maar wordt gezegd dat objectief gezien, intrinsiek gezien, los van de context en van omstandigheden, van de personen, van sociale en subjectieve elementen, het intrinsiek ongeordend is. En dit omdat het de twee fundamentele aspecten van seksualiteit volgens de christelijke traditie nl. eenwording, relatie en procreatie, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, niet realiseert. Dat is het officiële standpunt. Daar zal het altijd blijven over gaan. Ik geef geen oordeel, ik stel alleen maar vast dat dit een belangrijk gegeven is.

In de katholieke traditie is er een zeer oude manier om met dergelijke problemen om te gaan nl. het onderscheid tussen objectief en subjectief. Als men homoseksuele handelingen stelt, handelt men objectief gezien onjuist, maar subjectief kan men verontschuldigd worden. Vooral in de recente kerkelijke benadering wordt zeer sterk de klemtoon gelegd op ‘onweerstaanbare drang’ of ‘onweerstaanbare neiging’. ‘Men is wie men is’ en daar kan men niets aan veranderen. De eigen identiteit moet men nemen zoals ze is, maar als mensen handelen vanuit die onweerstaanbare drang, kan men ze in hun handelen verontschuldigen.
Ondertussen wordt er theologisch, ethisch en pastoraal verder nagedacht over deze zaak, want er zit natuurlijk een zeer grote duidelijkheid in het kerkelijke standpunt. Men blijft stellen dat in de visie op seksualiteit de intieme band tussen relatie en procreatie niet kan losgemaakt worden. Men kan niet louter op het spoor van relatie gaan, men kan ook niet alleen op het andere spoor van procreatie gaan. Dit betekent een keuze voor heteroseksualiteit binnen de context van het huwelijk als basis voor gezinsvorming. Dat is het kerkelijke standpunt in al zijn scherpte, in al zijn duidelijkheid.

Het voordeel van dit standpunt is de duidelijkheid, dat we in onze visie op seksualiteit altijd die twee aspecten én hun band zullen moeten bekijken. Het nadeel van de benadering is het onderscheid tussen objectief en subjectief. Dit komt uit mijn persoonlijke ervaring, uit de contacten die ik had als jonge theoloog met heel concrete mensen. Deze concrete mensen voelen zich beledigd door het katholieke standpunt. Objectief handel je verkeerd, maar subjectief ben je te verontschuldigen. M.a.w. impliciet ‘ben je in de grond een sukkelaar’. Ethisch gezien ben je niet vol, ben je kwalitatief geen humane persoon zoals een hetero. Samen met vele andere mensen heeft mij dit sterk aangegrepen in de jaren ‘60-‘70.

Voorzichtige verruiming vanuit compromisethiek

Vandaar de verschuiving die gebeurd is. Wat Erik de Beukelaer gezegd heeft over compromisethiek hoort niet tot het officiële kerkelijk standpunt, maar hoort tot het kerkelijk denken o.m. in Frankrijk waar Xavier Thévenot de Franse bisschoppen erg geholpen heeft om een andere benadering te vinden die verruimend was binnen de traditionele leer. De homoseksualiteit kan niet normatief zijn, is dus geen ethische meetlat om de waarde en de betekenis van seksualiteit te meten omdat die altijd moet gaan over relatie en over vruchtbaarheid en de band tussen beide, wat men bij de homoseksualiteit in feite niet vindt. De homoseksualiteit kan men niet egaliseren, niet op gelijke hoogte stellen en men kan er geen norm van maken voor seksueel gedrag. Het advies van Thévenot aan de Franse bisschoppen is op een bepaald ogenblik gepubliceerd in een heel merkwaardig boekje, ondertekend door de Franse bisschoppen, maar nooit door Rome aanvaard of verworpen. Hij gaat er van uit dat men anders moet omgaan met homoseksuele medemensen en in eerste instantie moet men vertrekken vanuit hun ervaringen. Het officiële kerkelijke standpunt is een visie op de waarde en de integratie van zinvolle seksualiteit in het huwelijks- en gezinsgeheel, maar anderzijds zit men met mensen zoals ze zijn en met die mensen moet men op stap in de pastoraal. Samen met deze mensen heeft Thévenot gepleit voor een compromisethiek. Normatief kan je homoseksualiteit niet gelijk stellen, maar op het concrete belevingsvlak moet men uitgaan van de identiteit en van het zoeken naar identiteit en van de authenticiteit en de eerlijkheid waarmee deze mensen hun eigen bestaan ontdekken, ervaren en proberen waar te maken. Hij heeft hiervoor 800 mannelijke homo’s ondervraagd. Hij heeft hieruit geleerd dat men niet kan twijfelen aan de authenticiteit van de manier van hun ontdekking naar aanvaarding die eerst een negatieve aanvaarding is en dan de weg moet gaan naar positieve aanvaarding. Hij stelt dat homoseksualiteit wel een keuze is, maar niet in de zin van vrije keuze. Er moet een positieve beaming en integratie zijn die de identiteit van de persoon baseert op dit aspect van de persoonlijkheid zodanig dat men zichzelf niet alleen kiest als een gehandicapte. ‘Ik heb iets tekort’, omdat dit onwillekeurig in het officiële kerkelijk standpunt zit. Bij de interpretatie van Thévenot moet men de beleving van deze mensen au sérieux nemen. Het gaat bij hen niet alleen over een tekortbeleving maar ook over een potentialiteit van beleving, over oriëntatie, betekenis en zingeving.

Dit brengt ook onmiddellijk een pastorale benadering in het ethische binnen. In de traditionele benadering staat het pastorale altijd aan de buitenkant als een vorm van mededogen. Men kan de Universele Katechismus erop nalezen: op alle mogelijke thema’s komt steeds de verontschuldigingsidee aan bod. Vb. mensen die verslaafd zijn aan porno, kan men verontschuldigen, als men subjectief en contextueel kijkt naar wat met deze personen aan de hand is. Dezelfde argumentatie wordt gebruikt voor homoseksualiteit. Men zegt dat homoseksuelen geen morele capaciteit en integriteit uit zichzelf kunnen ontwikkelen die betekenis en zin geeft aan wie ze zijn. Dat is wat de strekking van Thévenot probeerde te zien en ernstig te nemen, wel binnen de volstrekte loyaliteit aan het kerkelijk standpunt nl. dat de homoseksualiteit objectief ongeordend is, dus anormatief.

Maatschappelijke evoluties

Emancipatorische benadering.
Homoseksuelen hebben vanuit hun niet-erkend-zijn in hun volwaardige ethische capaciteit gezocht om zich te emanciperen, om erkend te worden op het maatschappelijk vlak als niet gelijk, maar gelijkwaardig. Deze strijd is nog steeds bezig. Deze emancipatiestrijd zit ook achter de hele kwestie over het openstellen van het burgerlijke huwelijk van homo’s en lesbiennes. De homobevrijdingsbeweging heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Dat is voor christenen niet altijd gemakkelijk te verwerken omdat in een bevrijdingstheologische benadering de homoseksuele mens zich gemakkelijk op de positie stelt van ‘Ik ben de ander voor de anderen.’ ‘Ik ben die kwetsbare ander.’ In deze benadering zit iets zeer positiefs, maar ook iets zeer dubbelzinnig want men maakt zichzelf tot een kwetsbaar ander terwijl men ook van zijn eigen sterkte moet uitgaan. Gelukkig zit dit ook in de emancipatiebeweging.

Bij de correctie van mijn boek ‘Zinvol seksueel leven onderweg’ heb ik eerst aan vier christelijk geïnspireerde homo’s het hoofdstuk over homoseksualiteit laten lezen. Het heeft mij geweldig gechoqueerd, want ik was er helemaal niet op voorbereid dat bijna niets van het hoofdstuk zou overblijven. Ik heb dit hoofdstuk grondig herwerkt en herschreven, ook door literatuur n.a.v. van wat mij gesuggereerd werd en dit laten lezen door vijf christelijk geïnspireerde lesbische vrouwen. Ook dan weer was er zware kritiek omdat deze dames vonden dat mijn visie op homoseksualiteit te mannelijk was.
Dit is voor de pastoraal zeer belangrijk. De kwestie van de homoseksualiteit is niet te isoleren van de genderproblematiek. Ik heb gezocht om ook recht te doen aan de vrouwelijke ervaring. Dit was niet gemakkelijk. Er is hierover niet zoveel literatuur. Als wij pastoraal gezien discussiëren over homoseksualiteit gaat het over mannen en vrouwen die zichzelf vanuit hun man-zijn en vrouw-zijn waar maken en dit interfereert in belangrijke mate op de manier waarop men homoseksuele en ook heteroseksuele identiteit beleeft.

Welke uitdaging houdt dat in? Telkens opnieuw, ook in een christelijke traditie, niet louter normatief redeneren vanuit een deductieve pool maar ook inductief – dit wil zeggen: proberen te begrijpen hoe die mensen zichzelf zien en zichzelf interpreteren in een cluster van dimensionale aspecten die met elkaar interfereren en dat zonder meer au sérieux te nemen. Dan komen we bij de phronèsis uit. Dit was voor mij ook een zeer belangrijke wending in mijn christelijke benadering. Ik heb dit voor mezelf geduid, niet emancipatorisch maar vanuit de christelijke idee van verlossing, van genade, van schepping. Hiervoor is niet een soort bevrijdingstheologische benadering nodig, maar dit staat in de kern van de christelijke boodschap.

Krachtlijnen van een groei-ethische benadering i.v.m. relationeel en seksueel gedrag

Een groei-ethische benadering vertrekt vanuit de idee dat men nooit verzelfstandigend kan spreken over homoseksualiteit, zoals men ook niet over heteroseksualiteit verzelfstandigend kan spreken. Het gaat over, wat Ricœur noemt, een narratieve benadering vanuit identiteit en de ontplooiing, de moeilijke structuurelementen in die ontplooiing, ook de positieve elementen. We moeten voortdurend opletten om geen kompassionele benadering te hanteren. ‘Want ze hebben het toch zeer moeilijk.’ Men kan de mensen niet enkel vanuit de moeilijkheid benaderen. Dit is een manier om te zeggen dat het eigenlijk sukkelaars zijn wat nooit een goede benadering kan zijn. Vandaar de groei-ethische benadering, die sterk uitgaat van de idee dat er ook echt een keuze is om te zijn wie men is. Geen vrijblijvende keuze tussen twee gelijke mogelijkheden, maar een beaming en integratie en een ontplooiing van de kansen, met respect voor de grenzen en de problemen, om te zijn wie men kan zijn. Dit is de basis voor een groei-ethische benadering. Dit is niet een integraal pastorale benadering, maar een bepaald aspect ervan. De groei-ethische benadering neemt de identiteitskwestie au sérieux als groeimogelijkheid van binnenuit, als een positieve keuze. Niet ‘aanvaarding’ omdat dit woord nog de indruk wekt van ‘het kan niet anders’, men zit er nu eenmaal mee. Er zit natuurlijk een zekere aanvaarding in, maar dan niet alleen negatief, ook positief.

Van daaruit ben ik gaan zoeken naar een consequente ethiek voor hetero’s en homo’s. Het zal veel christenen vooruit helpen als ze, los van de kwestie over gelijkschakeling of over evenwaardigheid van homo’s en hetero’s, aanvaarden dat als je bent wie je bent en je probeert als christen te zijn wie je moet zijn – de opgave van ten volle christen zijn in je intiem leven – men tot een heel andere ethiek komt voor homo’s én hetero’s. Dit is de ethiek van de tien geboden. Men kan nooit zeggen dat een relatie kan gebouwd zijn op geweld, op chantage, op misbruik van vertrouwen. Men kan nooit zeggen dat de relatie gebaseerd is op leugen of op de vernietiging van het verschil tussen mensen. Men kan nooit een kwalitatieve relatie baseren op ontrouw of op overspel. De consequente ethiek is dat er geen andere ethiek is voor homo’s en hetero’s. Objectief gezien is er een verschil. Met de idee van compromisethiek kom ik in de buurt van Thévenot en co. Maar ik start niet met een compromisethiek, ik start met de idee van zinvolle homoseksualiteit op het ethische vlak. Dus phronèsis, maar niet alleen praktisch, maar ook qua ideaal. Ik ben geschrokken van de loutere tegenstelling tussen ideaal en realiteit. Homoseksuelen hebben ook de uitdaging om hun ideaal, zinvolle en kwalitatief menswaardige seksualiteit, te beleven. De onderkant, de afbakening, de grenzen en de oriëntatie zijn de tweede tafel van 10 geboden: het leven bevorderen, de waarheid bevorderen, het verschil en de trouw bevorderen. Het wordt alleen negatief afgebakend, maar binnen deze afbakening mag men zijn zin doen. Ik zie geen andere mogelijkheid voor hetero’s en homo’s.

Als er mensen door psycho-sociale, subjectieve en objectieve contextuele elementen niet in staat zijn om die geïntegreerde seksualiteit van exclusiviteit, wederkerigheid, trouw, duurzaam te beleven, hebben we niet genoeg aan een compromisethiek die enkel relaties beschouwd als ‘het minste kwaad’. Volgens het standpunt van Thévenot en co is het beter vriendschapsrelaties te hebben want losse relaties is in christelijk perspectief niet erg aanvaardbaar. Daarom dat men beter kiest voor een vaste relatievorming.
In een benadering vanuit een consequente ethiek is een vaste exclusieve, duurzame relatievorming voor ieder christen de absolute uitdaging en opgave. En dat is voor niemand gemakkelijk. Het is misschien moeilijker voor mensen die geen sociale inbedding en geen erkenning hebben, voor wie objectieve elementen niet goed helpen. Er is in ieder geval geen andere uitdaging, geen andere opgave. Als mensen niet in staat zijn om die zinvolle seksualiteit op homo- of heterovlak te beleven, moet er eveneens een ethiek zijn van het ‘kleinere goed’. Sommige dingen zijn beter dan andere. Een vaste toekomstgerichte relatie die openstaat voor kinderen of die openstaat voor vruchtbaarheid in de maatschappij is vanuit de christelijke visie kwalitatief gezien beter dan een voorlopige relatie. Er is dus een verschil. Hier komt het positieve van het verontschuldigingsmechanisme zoals de Kerk het terecht hanteert terug op de proppen. Mij is dat duidelijk geworden, niet op vlak van homoseksualiteit, maar bij de Zusters van Liefde van Gent waar ik in een ethische commissie advies moest geven over het voorlopig ongehuwd samenwonen in de voorzieningen. Lichtgehandicapte personen willen natuurlijk huwen, maar kunnen dat niet zonder begeleiding. Is het verantwoord om kinderen te hebben? Dit is een serieus probleem. Men mag deze mensen niet vanuit een bepaald ideaal van huwen en kinderen krijgen, overbelasten. Men moet deze mensen in een verontschuldigingsstrategie nemen om voor hen het best mogelijke, het haalbare te zoeken nl. het voorlopig begeleid samenwonen zonder perspectief op trouwen. Dat is voor mij een uiting van het ‘kleiner goed’.

Nieuwe maatschappelijke uitdagingen

In de consequente ethiek wordt niet gesteld dat men homo- en heteroseksualiteit kan egaliseren of gelijkschakelen met elkaar. Men moet ook het verschil tussen beide blijven erkennen. Dit is de uitdaging waar men, ook maatschappelijk, voor staat. In de emancipatorische strijd heeft men geprobeerd het burgerlijke huwelijk open te stellen voor homo’s en lesbiennes, wat gebeurd is. Dit is maatschappelijk een zeer interessante mogelijkheid. Het is een aanduiding dat er nood is aan sociale verankering, sociale erkenning zowel voor homokoppels en lesbische koppels als voor de maatschappij. Het is een aanduiding om het au sérieux te nemen want het gaat om een zeer belangrijke keuze omdat er in principe duurzaamheid is. Het enige wat men met de beste wil van de wereld niet kan realiseren is de vruchtbaarheid via elkaar. Het eigene van het huwelijk, daar blijf ik filosofisch gezien hardnekkig bij, is niet alleen het geestelijke aspect, het jawoord wat natuurlijk ook fundamenteel is. Maar die keuze van twee mensen waarin men open staat voor kinderen kan door de homo’s en lesbiennes, door hun seksuele leven zelf, niet gerealiseerd worden. Het is belangrijk om dit als een verschil te blijven erkennen. Ik blijf erbij dat het beter is om een stap verder te gaan en de eigenheid, ook in de beleving van homo’s en lesbiennes, veel meer ernstig te nemen zonder de relatievormen gelijk te schakelen. Het huwelijk in de katholieke Kerk blijft een verbond tussen man en vrouw omdat het niet alleen gaat over ‘ik zie u graag’. Deze twee zijn de grond en de voorwaarde voor kinderen. We komen zo terug bij het begin: unificatie en procreatie kan men in deze situatie niet losmaken. Ook als dit objectief niet aanwezig is – dit is geen tekort, het is gewoon niet aanwezig – moet men er ernstig mee omgaan.

Adoptie is een zeer delicate kwestie omdat het enerzijds te maken heeft met het welzijn van het kind dat een dubbele verwekking heeft. Die dubbele verwekking wordt best naar waarheid gehanteerd als grondslag voor de opvoeding en voor de groei van het kind. Anderzijds is opvoeding niet alleen gebonden aan de seksuele conditie alsof heteroseksuele mannen en vrouwen beter in staat zouden zijn om kinderen op te voeden. Dus opvoeding-ouderschap is een ethische categorie die, het louter gebonden zijn aan de seksuele lichamelijkheid, overschrijdt. We moeten als christenen op dit vlak een soort gespannen standpunt aannemen.

Forum 10 juni 2006