Synthesetekst Homoseksualiteit IPB-Fora maart en juni 2006

 

Het IPB heeft in het voorjaar van 2006 twee Bureauvergaderingen en twee Fora gewijd aan het thema van de homoseksualiteit. Van tijdens de voorbereiding werd duidelijk dat dit thema in een meervoudige spanning zou staan.

1.   De spanning tussen het kerkelijke denken en de maatschappelijke evoluties.

2.   De binnenkerkelijke spanning tussen de kerkelijke leer en de praxis. 

Het IPB koos er van in het begin voor om de maatschappelijke ontwikkelingen op het vlak van homohuwelijk en adoptie door homokoppels niet op de voorgrond te zetten. Vooraleer hier een standpunt kan ingenomen worden, is het van belang om de fundamenten van die gevoeligheid rond dit thema helder te krijgen. Daarom werd geopteerd om één Forum te wijden aan een reflectie vanuit verschillende invalshoeken, en tijdens een ander Forum werd een pastoraal overleg georganiseerd, ook vanuit verschillende domeinen.

1.   Reflectie op het thema homoseksualiteit

Drie inleidingen kwamen aan bod:

– Het kerkelijke standpunt over homoseksualiteit door Erik de Beukelaer
– Een sociologisch onderzoek door Alexis Dewaele
– Een filosofisch- theologische benadering door Bernard de Cock

Deze inleidingen werden voorafgegaan door enkele getuigenissen: een homoseksuele man over zijn proces en een verhaal van een samenkomst van lesbische vrouwen die actief zijn in de pastoraal.

2.      Pastoraal overleg

Vooraleer in gespreksgroepen te gaan leidde Roger Burggraeve het gesprek in met een referaat over de groei-ethiek. Hierdoor kon een open gesprek plaatsvinden.

Er werden vier gespreksgroepen samengesteld:

– Parochies: Peter Dierckx
– Onderwijs: Josian Caproens
– Jeugdbewegingen: Kristof Das
– Gezin en familie: Liliane Krokaert

Hieronder volgen de grote lijnen die in één of meerdere gespreksgroepen naar voor kwamen. Ze zijn vooral geformuleerd als aandachtspunten voor het pastorale beleid in de verschillende domeinen. Ze worden nadien verwerkt als advies naar de betrokken instanties.     

  1. Er werd unaniem gesteld dat in het denkproces over homoseksualiteit uitgegaan moet worden van het verhaal van de betrokkene, van de concrete mens. Dit betekent dat vooral moet gekeken worden naar het ‘leven zoals het is’, en dat confronteren met de evangelische boodschap van liefde en menswording.
  2. Een sterke nadruk ligt op het open en gastvrije karakter van de gemeenschap als noodzaak om een cultuur en een pastoraal van waardigheid uit te bouwen. Dit houdt onder andere in dat iedereen moet kunnen zijn wie hij of zij is, zoals ze zijn en dat niemand op basis van geaardheid mag uitgesloten worden om bepaalde taken op zich te nemen. Elke vorm van verwerping dient vermeden te worden. Integendeel, er kunnen best kansen gecreëerd worden om ook een pastorale verantwoordelijkheid te laten opnemen door zowel homo- als heteroseksuele mannen en vrouwen. Enkel zo kan een vanzelfsprekendheid groeien waarin mensen gelijke kansen krijgen.
  3. Daarom is het ook van belang dat het gesprek hierover blijft gevoerd worden, naast een praktische omgang. Een dialoogcultuur is op alle niveaus van het kerkelijke beleid en van christelijke organisaties/instellingen aangeraden. Het gevaar bestaat dat verschillende snelheden ontstaan in de christelijke cultuur en het kerkelijke beleid. In het onderwijs komt dit thema geregeld op de agenda, op het lokale vlak gebeuren allerlei initiatieven, in het gezin wordt met de betrokkenen – als het ware gedwongen – het gesprek gevoerd. Dit zou een spiegel kunnen zijn voor het kerkelijke beleid. In de jeugdbewegingen is dit thema al in ruime mate aanvaard. Het is in die zin goed dat lokale initiatieven gestimuleerd worden. Maar een ruimer pastoraal beleid kan dan moeilijk achterwege blijven.
  4. Het thema verdient dus een permanente aandacht in een cultuur van dialoog. Daarom wordt gewezen op het belang van de ontwikkeling van een taal die recht doet aan mensen, die mensen erkent in hun waardigheid en ze ten volle laat ontwikkelen. Respect is hierbij het uitgangspunt. Taal die denigrerend en kwetsend is dient vermeden.
  5. Ook dient in dit gesprek aandacht gegeven te worden aan de verscheidenheid binnen de groep van homoseksuelen. Mannen én vrouwen zijn betrokken partij. En ze bevinden zich in verschillende generaties: jongeren in het gezin, onderwijs en jeugdbeweging, volwassenen en ouderen, tot in de rusthuizen.
  6. Er dient voldoende tijd en ruimte gemaakt te worden voor studie- en denkwerk hieromtrent, waarin aandacht is voor ontwikkelingen in de (mens-)wetenschappen, voor evoluties op maatschappelijk en juridisch vlak, en voor de kerkelijke leer en haar fundamenten. Hierbij mag zeker niet te snel te werk gegaan worden en dient de nodige creativiteit aan de dag gelegd te worden. Op die manier wordt aan de betrokkenen en aan ieders denken en houding hieromtrent recht gedaan.
  7. Binnen het IPB zou dit gesprek best geregeld terug ter sprake komen, eventueel in een werkgroep ad hoc. Ook op de website kan dit een aandachtspunt zijn. Een publicatie van de referaten en de gesprekken in het IPB zou een ondersteuning kunnen betekenen voor iedereen die homoseksualiteit ter harte neemt in zijn of haar pastorale activiteiten.