Inleiding Carine Devogelaere


Een nieuwe vrije mens

Mee door hen dringt het tot ons door dat de rusteloze, ontevreden economische mens geen toekomst heeft. Er is een nieuwe vrije mens nodig. Iemand die tevreden kan zijn met de rijkdom die hij heeft en zich niet onder druk laat zetten van alles wat we moeten hebben om gelukkig te zijn. Want dat is de taal van de reclame die de consumptie aan de macht houdt.
Een nieuwe mens die zijn geluk hervindt in de verbondenheid met anderen. Wie zegt verbondenheid, zegt sociaal rechtvaardiger en ecologisch duurzamer. Want die begrippen gaan samen.

Wat ik nu gedaan heb, is een nieuw mensmodel voorstellen binnen de logica van ons economisch denken. De vraag die ons daarbij leidt is: wat brengt het me op? Word ik er beter van? Is het nuttig voor mij?
Door te stellen dat een neen aan het model van de economische mens me vrijer en gelukkiger zal maken, geef ik aan dat er winst te halen valt. En dat is een taal die de meeste mensen vanzelf verstaan. Het is voor ieder van ons de eerste en meest elementaire motor van ons doen en laten. Het verwijst naar dat eerste niveau van direct resultaat. Ik doe iets omdat het me zichtbaar iets oplevert. En ik kan zelfs meten wat het positieve resultaat is.

Verbonden met alles en iedereen

Ook de tweede motor hierboven vermeld vindt zijn voeding in het resultaat, maar dan bij anderen of in de maatschappelijke structuren. Het haalt iets uit!, zeggen we dan.
Het maakt ons gelukkig als we kunnen overbrengen waar we zelf in geloven. We geven door waar we zelf van overtuigd zijn. We weten ons verbonden met anderen en vanuit een gemeenschappelijke situatie zoeken we samen naar verandering. Het helpt ons om vol te houden als er anderen zijn die het ook doen. Samen is verandering mogelijk. Toch is dit niet een terugkeer naar de grote verhalen van vroeger waarin het gemeenschappelijke zeer uitdrukkelijk aanwezig was. De diversiteit is een feit en houdt een rijkdom in. De ene juiste oplossing bestaat immers niet. En dus biedt de verscheidenheid meer kansen dat er vele stappen in de goede richting worden gezet. Maar tegelijk moet er genoeg gemeenschappelijks zijn om op grotere schaal iets te kunnen verwezenlijken.

Bij het begrip verbondenheid stelt zich de vraag naar een onderliggende visie op de relatie tussen mens en schepping. Er zijn al veel stenen gegooid naar het christendom als de religie die de mens al te zeer in het centrum zou stellen waardoor de schepping uitgebuit wordt en misbruikt in dienst van die mens. Het lijkt me een goedkope manier om de oorzaken van de ecologische crisis af te schuiven op een zondebok. De economische mens heeft zich in zijn huidige vorm vooral ontwikkeld sinds het verlichtingsdenken waarbij de vrijheid centraal stond. Niet het christendom zelf maar de verdere ontwikkeling van het denken in hoofdzakelijk christelijke culturen heeft geleid tot een allesoverheersende macht van de markt.
Het denken over de relatie tussen de mens en de schepping kan op een soort continuĆ¼m gesitueerd worden waarbij aan de ene kant de mens centraal staat en aan het andere einde het geheel van de schepping, de mensen inbegrepen. Of om het geleerder te zeggen: van een uitdrukkelijk anthropocentrisme tot een doorgedreven ecocentrisme. Een bepaalde manier om de bijbelse verhalen te lezen heeft ons als christenen in het verleden sterk de nadruk doen leggen op de centrale plaats van de mens. Ook in documenten die handelen over de sociale leer van de kerk bijvoorbeeld, worden natuur en milieu gezien in functie van de mens. Toch is er ook bijbelse grond voor de verbondenheid van alle schepselen. Zo is in het tweede scheppingsverhaal veel duidelijker dat we net zoals de dieren gemaakt zijn uit aarde. [2]

Misschien zijn we die verbondenheid met de aarde en alle schepselen een beetje kwijt in onze technische en betonnen dagelijkse omgeving. Waar komen kinderen nog in contact met de natuur en kunnen ze een ervaring opdoen van een groter geheel? In dat opzicht hebben sommige andere volkeren en culturen veel voor op ons. Ik denk hierbij aan de manier waarop Congolezen om vergeving vragen aan de boom die ze willen omhakken omdat ze hem nodig hebben om een huis te bouwen. Of de Dayaks op Borneo die zich richten tot de geest van het varken dat ze gaan slachten.

O goede geest, die in dit varken
de stromende bron zijt van het leven,
en die er sinds zijn eerste bestaan
een goede woning hebt gevonden,
O, luistert even naar mijn woorden!

Wij vragen u ons te vergeven
dat wij nu zo vrijmoedig zijn
om deze woning weg te nemen,
zodat u, uit uw huis verdreven,
uw verdere leven voort moet zetten
op een andere plek in het heelal.

Wij vragen dat dit heilige lichaam,
als u het eenmaal hebt verlaten,
voor ons mag zijn tot voedend voedsel
zodat wij kunnen voortbestaan;
en dat het tevens dient als heling
van al de kwalen die er zijn.

Wij vragen dat de magische kracht
die in dit vlees zal achterblijven
als u uw zwerftocht bent begonnen,
weldadig doorwerkt in het wezen
van al degenen die het eten,
zodat ze lang en vredig leven.

Verbonden betekent niet dat we samenvallen met de schepping. Maar wel dat we ons durven bekennen als medeschepselen en dat we vanuit die band ook verantwoordelijk zijn.